| |
"
Wij weten wat jou dierbaar was. Wat je koesterde
waren niet de grootste dingen, niet de grootste
woorden. Met geen stokken op reis te krijgen,
reisde je, naar waar je thuis was. En thuis
was je tussen de dieren en de mensen.
Luim en luchtigheid waren bij jou nooit ver weg.
Hoe je plotseling, met die zotspet op, uit de hoek
kon komen en lichtjes zocht toen het lichtjes vroor.
We lachten ons wel vaker te pletter.
En toch was het de ernst, die bij jou van binnen zat,
die je maakte tot de man die je was, een heel
bijzondere man… Een bijzondere zoon,
een bijzondere vader, een bijzondere broer;
een natuurtalent dat dribbelend in en uit de dagen,
moeiteloos de tijd zal trotseren.
De emmers die je droeg, het gras dat jouw handen
maaiden.
De bal die lag te wachten om ingetrapt
te worden. De beelden die we van jou bewaren
zinderen na, zorgen voor
heel veel warmte
in al onze winters. "
|
|