Krijger


(Brugge-Damme en terug)  


Op de oevers zal men wuiven. Water waarover 
men lopen kan en dat gestold de beide steden bindt.
Met duizenden komen ze aangewaaid. Levensgroot,
alsof ze zichzelf hebben aangebonden, groeien ze
boven hun schoenen uit. Een bril, de muts diep

over de ogen, oren ingepakt, winterhart. Niemand
kan hem zien. Wulken, oliebollen, warme wijn.
Nering, krijg de tering. Hou de klapschaats
aan de praat. Zachtjes buigend, een hand op de rug,
heeft hij zich gemengd. Krappe krijger. In het feest

van oude klare slijpt hij krijtwit zichzelf terug, 
komt tenslotte voor het donker aan, versluisd,
verdoofd, als een brief in een bus.

                       

          

 

 

© Paul Rigolle

 

Terug

 Gedichten
paulrigolle.blogspot.com

paul rigolle.be