| En zo gebeurt het dat je als iemand bent die op een dag aan de rand van een in onbruik geraakt zwembad staat… | |||||||||||||||||
Af
en toe, zeg je, af en toe moeten de scrupules weg. Af en toe moet je alles
laten gaan. Moet alles los. Moet je vrijgeven wat niet vrij te
geven is. Heel af en toe moet het zijn alsof er geen houden meer is. Geen
houden meer aan. Een dieet te ver, een kramp in een andere keel, zestien missers op een
rij, de spits die niet tot scoren komt, en vooral moet er veel
rum, af en toe moet er wel heel veel rum in de Weense chocolademelk... Af en toe moet je, tot
bloedenstoe, tot aan de grens, de dingen dwingen, opnemen die handel,
in de tang, uit de kom, bij de strot, wurggreep zegmaar…
Uitroepen, verklaren, verkrampen… In één woord: Weg met die stomme
terreur van vermaledijde ordinaire dagelijkse dagelijksheid. Weg… De lanen en de landen
uit. Graag voor even alleen. En van geen mens gestoord! Want zegnuzelf, of
het in het scenario staat of niet wat maakt het uit. Jij bepaalt,
jij leidt de dans, jij bent het die zeggen zal “kijk maar, nu stap ik er
even uit. Of in...”. Gewoon en alleen omdat dat je nu eenmaal zint…
Even zet je het still. Vrijheid? Of die dan godbetert kan bestaan? Je
durft, je vraagt het zowaar, zomaar even
fijntjes, zo maar even achteloos en fijntjes langs dat fijne poederneusje weg...
Zeker wel. Natuurlijk is die echt, natuurlijk bestaat die hele handel van
een klotevrijheid van ons wel helemaal echt, wat had je dan gedacht… Maar dan
en vooral
bestaat ze, hoe zou ik het zeggen, hoe zeg en schrijf ik het, toch nog als iets
fictiefs misschien, een klaterend begrip dat voor eens en voor altijd tussen
onze oren zit. Vrijheid duikt soms even op wanneer je het afleggen
van verantwoording voor één keer binnen de perken houden
kunt. Wanneer je af en toe, meer af dan toe, ik geef het toe, slechts één
meester dienen moet: jezelf. Met niemand anders in de buurt! En
zo gebeurt het dat je als iemand bent die op een dag aan de rand van een in onbruik
geraakt zwembad staat…
Dat je jezelf oplicht, wegknipt uit de langlopende film van de bloot en
blakke dagelijkse dingen en dagen. Dat je hem knipt en knijpt. Dat je er
geknipt voor bent. Omdat je, als je iets schrijft, vaak een nog groter loopje met
de werkelijkheid, met de waarheid neemt. Omdat je niet voor het eerst aan een
grove linke leugen bent doodgegaan, gebeurt het dat je af en toe eerst adem haalt
waar die te halen is. Dat je nog voor je spreekt al weten laat, dat je met
aandrang, met klem al weten laat: "Even genoeg nu! Stilte! Stilte, s.v.p.,
voor nu en straks, er
wordt gedraaid!”. “Dat de voorkamers van het huis vaak alleen maar voor
oogverblinding dienen, drama, schijn”, is iets wat je er nog even
tussenwerpt, en dat je eigenlijk voor het grote werk vooral in de achterkamers zult
moeten zijn, de plaatsen waar het licht schriller is, de plaatsen waar
niemand komt, de plaatsen waarop je terecht gewezen wordt…”
En dan, godbetert, dan sta je op, ga je staan… Brutaal… Je draait je
rug, je kleedt je uit. Je kijkt naar
het effect van woorden, van een lichaam op een gezicht. Je glimlacht nu. Van oor tot oor. Als
het niet klinkt dan botst het maar... Dat zeg je zonder woorden omdat
je kijkt... En als het al klinkt
dan heb je het nog het liefst zoals een vloek kan klinken in openlucht. Of nee, nog veel liever wil
je dat het klinkt als het rauwe gespuw, het ouderwetse rauwe gespuug in handen…
Nog voor het werk begint… En dan spring je en lijkt alles weer op wat
het ooit en toen, en eerder is geweest. Paul Rigolle (Za 21/02/2004) - Permalink van later - Zelf onverhoeds zin in het bedienen van het reactieding? |
|||||||||||||||||
| -->
Homepage Paul Rigolle --> Arcadim in Arcadië |
|||||||||||||||||