Coltrane
Wat een troost treedt
binnen als Coltrane
in de kamers komt. Van de wereld breekt hij
als van een brood de delen aan, krult
de beide lippen over de tanden, zoekt wat
niet te zeggen is. In wierook en glas,
in schemer, in alles wat schittert, zitten wij
met hem verlegen. Krom als
India,
de ogen van Afrika,
teder, taaier, neemt hij ons
in de kromming van sax en sex telkens weer
te grazen. Kaalslag. Kaakslag. Man Modaal
breekt met hem en in ons uit. Jankend en krimpend
met onze gifbekers en onze kelken; met
onze lage landen ruilen wij richting hemel,
alle woorden in voor de kuren van een
tenor.
Zevenmijls en opgepookt
branden, bloeien wij
met hem als aders in een lichaam open. Niets
raakt beklonken in de luister, in de jubelende
troost van kamers die sinds eeuwen
ergens in een heelal staan te
scheuren.
© Paul Rigolle, 2006-2008
|