Stuk
Het lijkt niet veel voor wie uit
de steden komt.
Leeuweriken, en ergens ook een man die naar
de dieren schreeuwt. Je kijkt je ogen uit op het niets
dat hard en groen over de velden hangt. Je staart
je blind op de horizon die niets meer kan zijn dan
een dunne, rechte lijn die enkel in het hoofd bestaat.
Alsof het een streep was onder de
tijd die jou hier
heeft uitgezet. Alsof je eindelijk geworden bent
wat je al die tijd wou zijn. Iemand die
aan een einder staat en weet: Het is het kijken naar.
Het is het buiten staan, waaraan jij moet lijden.
De trots van hij die opgesloten zit, en in zijn hoofd
een verdronken land bewaart, is
het,
die jouw hand doet glijden. Over het bleke
marmer van de droom uit één stuk te zijn.
© Paul Rigolle,
2006-2008
Gedicht bekroond met de Poëzieprijs
Culturele Centrale Boontje 2007
Een
reactie? |