5-1-10
Gedichten: Paul Rigolle

Paul
Rigolle (1953) is dichter en schrijver. Redactielid van Digther
en medewerker van Veduta en Poëzierapport.
Publiceerde eerder de dichtbundels Mond- en Clownzeer (1980), De
Hel van het Noorden (1982) en Overal en op alle plaatsen
(1986) en de wielerboeken Op de helling (1990) en Vélo-dromen:
het wielrennen in de Nederlandse literatuur (i.s.m. Patrick
Cornillie, 1991). Onlangs verscheen Van
het hart een steen, bij het Poëziecentrum.
1.
Wat is uw favoriete gedicht uit deze bundel?
Da’s
een moeilijke! Als ik dan toch moet kiezen, ga ik, in deze periode van
volle vaten glühwein en andere gelukzaligheiden, voor een ijsgedicht
uit de cyclus Winterhart. Het wintergedicht tussen Damme en
Brugge misschien. Omwille van het wat sloganeske “Nering krijg de
tering”-gevoel en de herinnering aan een kou die helemaal vanuit het
Noorden komt.
Krijger
(Brugge-Damme en terug)
Op
de oevers zal men wuiven. Water waarover
men lopen kan en dat gestold de beide steden bindt.
Met duizenden komen ze aangewaaid. Levensgroot,
alsof ze zichzelf hebben aangebonden, groeien ze
boven hun schoenen uit. Een bril, de muts diep
over de ogen, oren ingepakt, Winterhart. Niemand
kan hem zien. Wulken, oliebollen, warme wijn.
Nering, krijg de tering. Hou de klapschaats
aan de praat. Zachtjes buigend, een hand op de rug,
heeft hij zich gemengd. Krappe krijger. In het feest
van oude klare slijpt hij krijtwit zichzelf terug,
komt tenslotte voor het donker aan, versluisd,
verdoofd, als een brief in een bus.
(2)
Vertel wat u over deze bundel kwijt wilt, in maximaal 200 woorden die
niet op de flaptekst mogen voorkomen.
Ik
hou wel van het geheel en het opzet van deze bundel. De metafoor van het
hart loopt als een kleine rode wichelroede doorheen Van het hart een
steen. Ook het gegeven dat het leven veel van deze gedichten in de
jaren van hun ontstaan is komen nadoen, en niet omgekeerd, maakt de
bundel voor mij speciaal. Het hart zelf sputterde in de loop van de
jaren dat de gedichten geschreven zijn, zelfs letterlijk tegen. Als
wilde het volop deelnemen aan deze gedichten. In die zin zit in veel van
de gedichten in Van het hart een steen een pak “voorzienigheid”.
In
de hele eerste versie van Manhattan stonden de Twintowers nog recht
terwijl iemand nu in het gedicht naar Manhattan wil als naar het einde
van de wereld. In de cyclus Coronarografie was er met het hart
nog helemaal niks aan de hand… De taal doet vreemde dingen met een
man. Maar uiteraard illustreert zo’n bundel nog het meest hoe je zelf
het liefst wil schrijven. Niet bang om onmodieus te klinken. Niet bang
om voluit het hoofd (en het hart te bieden) aan wat ik graag noem “De
angst voor de ernst”. Want uiteindelijk:
Zwijgen
stelt niets voor, spreken is een plicht
die zoveel groter is. De stem blijft een spier om
op te warmen, waarop nog gewacht, wentel weg de steen,
Breng hem naar de stad, besta en zing en ga.
Uit 'Paars'
(3) Welke dichters (of dichter) behoorde(n) bij het schrijven van
deze bundel tot uw inspiratiebronnen? Op welke wijze?
Dichters
als specifieke inspiratiebronnen? Niet echt. Maar ze kijken natuurlijk
wel allemaal mee, de dichters die je in de loop van de jaren meer dan
andere blijft lezen en herlezen. Het hele lijstje… Van Pernath, over
De Haes tot bij Van Tongele. Via Claus, Hertmans en Ter Balkt tot bij
D’haen. Van Wallace Stevens over Pessoa, Brodsky, Eliot tot bij
Heaney. De bundel bevat ook een cyclus “Too late Blues” (Al te
late brieven aan John Cassavetes). De titel verwijst naar een oude,
vergeelde film van Cassavetes en er staan een pak verwijzingen in naar
dichters en dingen.
Maar
invloeden laten zich uiteraard veelal onbewuster gelden dan je dat
vermoedt. Waar ze beginnen valt achteraf meestal niet meer uit te maken.
Wat je zelf maakt is meestal een blauwdruk van alles wat je hebt
gelezen, gezien, overwogen, uitgekraamd… Waar je op hebt gegokt, waar
je van houdt… In de poëzie mag van mij alles. De helderheid van
kristal. Podiumgeraas. Rubbish, onzin, platvloersheid…
Bergwater … Maar zelf hou ik, zoals al gezegd, nog altijd meer van
gedichten die de ernst niet schuwen. En in hun beste momenten een nieuwe
draai aan de taal weten te geven.
Het
mag wat mij betreft best wat duisterder.. Poëzie is gewoon een kast vol
muziekjes die er staat voor de rest van het leven. Van Rilke tot
Ramstein. Van Leopold M. Van den Brande tot Springsteen. Van Pergolesi
tot Pfeijffer … Mijn enige eigen ambitie is het om daar uiteindelijk
af en toe ‘ns en haast ongemerkt een niet onaardige Rigolle tussen te
schuiven.
Vindplaats: Drie
vragen van De Contrabas
|