| |
Versneden
verzen
Paul
Rigolle – Spreken is een plicht die zoveel groter is
Over
de bundel Van het hart een steen van
dichter en schrijver Paul Rigolle (°Roeselare,
1953) verschenen inmiddels een aantal recensies, o.a. van PhilipHoorne en
van Jef Boven. “Meer
een man van stenen/dan van sterren”
schrijft Rigolle over de hoofdpersoon in het gedicht Honing,
dat deel uitmaakt van zijn bij Poeziecentrum
vorig jaar verschenen bundel. Jef
Boven, eertijds poeziecriticus voor het tijdschrift Appel,
schreef over Rigolle “In
de bundel bewonder ik vooral de harde, mannelijke, stoische toon, die een onbedwingbare,
alles doordringende tederheid en een hernieuwde openheid voor
de wereld niet in de weg staat.”
(1)
Ikzelf werd als lezer geraakt door het idioom, de ritmiek en beeldspraak
die bij Rigolle
evenwichtig aanwezig zijn. Daarnaast zijn er een stuk onvervalste
romantiek,
fraaie landschapsbeschrijvingen, breedsprakigheid ook en openhartigheid,
zaken die beklijven. Als
lezer en als schrijver ben ik gevoelig voor poezie die haar schoonheid
ontleent door vanuit de taal zelf te ontstaan, in plaats van te
beschrijven of die het
moet hebben van een specifiek idioom of stijlfiguren. Bij Rigolle ervaar
ik een
dichtheid van de taal: beelden ontstaan veelal vanuit talige constructies
die zeker
origineel zijn. Rigolle vind ik in deze bundel op zijn best in de
gedichten waarin
hij zich niet zozeer uitspreekt, maar de taal al het werk laat doen. Dan dringt
zich op overtuigende wijze een beeld op waarbij van het hart een steen wordt
gemaakt, of omgekeerd.
Over de titel van de bundel: de metafoor van het hart speelt steeds een
centrale rol.
“Schoonheid”,
zo staat op de cover geschreven, dient daarbij als “breekijzer”.
In een interview met De Contrabas (2)
typeert Rigolle de metafoor van
het hart zelf als “een
kleine rode wichelroede”.
Maar in de eerste gedichten van
deze bundel is het winter, en in die cyclus, Winterhart,
is vooral verstilling. Nergens
uitbundigheid. Gevoelens lijken te stollen, te verharden in een gedicht als
Vlek:
“Rijm
/ en rijp, takken knappen, het vriest. Stenen / uit de grond, stukken van mensen
vriest het”.
De uitbreiding in de tweede zin werkt treffend in combinatie met
het eenvoudige idioom dat een omgeving beschrijft. Dit fraaie beeld wordt voortgezet
in de volgende zin “Stukken
van mensen zoeken zichzelf terug”.
Dan volgt
de uitwerking, waarin volgens mij een depersonalisering plaatsvindt: “Winter
is om bij te houden. Een prent die taant / en tranen mag op de koekjestrommel
van de tijd.”
In het kleine, de prent en de koekjestrommel, vindt tegelijkertijd
een uitbreiding, vergroting plaats, namelijk die van de tijd. Het beeld
waarin mensen uiteenvallen, is echter dat van een seizoen, de winter. Zo beschrijft
Rigolle de tijd, zonder haar expliciet te benoemen. De laatste regels vind
ik fraai, omdat er duiding wordt gegeven aan het voorgaande, zonder dat
dit het
beeld ontkracht: “Zoekgeraakt
is niets nog om na te streven / als het geen zuiverheid
heeft die zo tastbaar wordt / dat je ze schetsen kon als je dat maar wou.”
Door de ritmiek, de sterke aanwezigheid van de dichter binnen het vers (“je”)
en de vele bijzinnen moest ik onwillekeurig denken aan Gerrit Kouwenaar
(° Amsterdam, 1923). En ja: Rigolle opent deze cyclus met een citaat van
deze dichter:
“het
is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft / in een klok die niet
loopt, in het vlees / dat bestaat als sneeuw voor de zon.”
3) Het
is zo koud dat alles stilstaat, en dit beeld moet vertaald om tastbaar te worden,
bijvoorbeeld in een klok die niet loopt. Maar niets is absoluut. Want het vlees
“bestaat
als sneeuw voor de zon”.
Welke
betekenis kent Rigolle aan het vlees toe? In de vorm van een lichaam biedt
het een metafoor om tot beweging te komen. Aan het hart wordt hierbij een
bijzondere betekenis toegekend: het staat in dienst van de taal, het kan
zich uitspreken.
De titelcyclus Van het hart een steen bevat het gedicht Paars.
De functie
van het hart wordt hierin als volgt beschreven: “Zwijgen
stelt niets voor, spreken is een plicht // die zoveel groter is. De stem blijft
een spier om / op te warmen, waarop nog gewacht, wentel weg de steen, / breng
hem naar de stad, besta en zing en ga.”
In
dit gedicht bestaat vlees niet als sneeuw voor de zon, maar is het een instrument
“om
op te warmen”,
leven te bieden, te bestaan. Men - de dichter als hoofdpersoon
–
spreekt zichzelf toe en roept zichzelf op tot een loutering die, bij nader
beschouwing, in zijn beeldspraak Bijbels geinspireerd lijkt. De weggerolde
steen
doet denken aan het verrijzenisverhaal en “besta
en zing en ga”
klinkt als in
het genezingsverhaal: “sta
op, ga”.
De titel van de bundel zet de lezer wat dat betreft
direct al op het verkeerde been. Want er is dus meer aan de hand dan die
kennelijke tegenstelling van hart en steen. Hoe een gedicht als Paars te
duiden,
waaruit bestaat de oproep die in dit vers wordt gedaan? Philip
Hoorne: “In
tegenstelling tot wat de titel van de bundel insinueert, is hier geen
hardvochtig man aan het woord. Eerder hartvochtig, bluesy. De menselijke harde
(!) schijf is niet het hoofd, wel het hart.”
4)Ik ben het met deze constatering helemaal eens en wil hier meteen aan toevoegen
dat de bundel zelf nergens sentimenteel wordt, wat Hoorne ook al opmerkt:
“Dat
komt omdat Paul Rigolle zijn opwellende emoties even strak beteugelt
als zijn strofen.”
Inderdaad: overal vinden we het treffende woord, een sober
idioom maar raak gebruik van metaforen en beeldspraak die haar oorsprong
vindt in een knappe beheersing van de taal. En
toch: ondanks de harde toon, het barokke taalgebruik, een kennelijke
transparantie
wanneer de dichter als mens explicieter aan het woord komt, blijft er
een raadsel. Waarom die dualiteit van hart en steen, als de dichter zich
bij voorbaat
reeds tot het hart wil bekeren, waarom die omtrekkende beweging? De
thema’s
in de gedichten zijn haast tegenstrijdig te noemen. Geslotenheid versus
spreken. Taal versus zwijgen. Winter versus voorjaar. Stilstand versus reizen,
met steeds het hart als metafoor: “Zoals
de zee moet zijn voor wie gevangen
zit, / zo houdt hij de wereld aan. Een plaats zoekt hij / voor wat desperaat,
en een plaats voor wat / uitzinnig is.”
// ... kransslagader van een stad.
Vermoeid en kreupel, / krimpend beeld, geschonden skyline met naalden uitgespaard.
/ Manhattan metafoor, je mag mij hebben, ik kom eraan.”
(uit Manhattan).
Vanwaar deze tegenstelling van ‘zijn’
en ‘komen’,
samengepakt in het
thema ‘reizen’,
beter gezegd: hoe ze te duiden? Want zoals ik al zei: de gedichten
van Rigolle zijn - op een eigenaardige manier - heel transparant en toch
ook gesloten. Er wordt zorgvuldig in gezegd wat gezegd moet, maar de lijn,
de beweging zelf ontbreekt. Wellicht zit daar de crux. Rigolle laat ons
steeds beelden zien, die in zichzelf compleet zijn, maar die een
voorgeschiedenis en een afloop ontberen. Het zijn zogezegd impressies die
we vanuit een versmald perspectief,
het lijkt wel door een diafragma, waarnemen: over het voor- en nadien
ontvangen we, naar mijn idee, vrij summier informatie. Misschien is dit weglaten,
dit niet-uitspreken maar suggereren tegelijkertijd een sterk punt, wat
eigen is aan ‘elke
goede poezie’.
Het is of winter, of zomer, het speelt zich altijd in het hier en nu af,
en ondanks gemijmer over ‘toen’
moeten we het als lezer, net als de hoofdpersoon in het gedicht, met het ‘nu’
doen. Ik kom hier dadelijk op terug. In hun zeggingskracht zijn het ook
ijzersterke beelden, die een begin en einde kunnen
ontberen. Het is als met de schilderijen van Hopper. En daarbij moest ik denken
aan een gedicht dat ik afgelopen zomer van Jacqueline Duurland (°Amsterdam,
1955) las:
Zoals
Hopper dichten
Zoals
Hopper dichten,
zo dat je eenzame kamers ziet
met kille kleuren en bleek licht.
De secretaresse die niet bukt,
de doorzakker die niet drinkt
en de echtgenote die niet neukt.
Zoals
Hopper dichten,
zodat huizen zich openen
en primaire tinten spreken.
De vrouw die aan het venster wacht,
de trein die aankomt
en de verf die de tijd tart.(5)
‘Zoals
Hopper dichten’
betekent begin en einde weglaten. Gaandeweg ontwikkelt
zich bij Rigolle natuurlijk het eigen verhaal, maar feit blijft dat de
gedichten
elk op zichzelf een gesloten beeld geven met een vermoeden van
‘meer’.
Ze dragen zogezegd elk het verhaal al in zich. Maar in welke vorm of
metafoor
het gedicht zich ook aan ons voordoet, steeds beklijft eenzelfde
vermoeden
van iets. Een onvervuld verlangen? In Begin komen begin en einde
feitelijk samen:
“Dat
dwaze hart dat driest en dik na al die tijd nog altijd / alles wil, eerder
al nochtans zo vaak door een oog / dat groter was, bedrogen werd. Hart dat
niet van
wijken / weten wil, jong geleerd en oud gedaan nog steeds / kan blijven doen
alsof alles voor het grijpen ligt.”
De dichter constateert, maar lijkt niet te kunnen
beslissen. Gaandeweg word ik steeds nieuwsgieriger wat Rigolle nu eigenlijk
wil. Terug naar het ‘toen’
versus ‘nu’:
in Album beschrijft de dichter een herinnering,
opgedaan in de zeventiger jaren: “Ik
vertaal / ook nu nog vrij: Schaduwen,
Al te late Blues, Kind / dat wacht, Echtgenoten, Openingsnacht. Vrouwen
// onder invloed, Gezichten, Gloria, de beelden sprongen / van het doek,
sloegen tussen onze ogen toe // ... of het al dan niet / te vroeg voor woorden
was, voor wat, vroeg of laat, / net als in die films van jou ook in onze ziel
ontbranden moest.”
Deze passie lijkt een kant van het verhaal dat hij ons wil vertellen.
Een heimwee en een worsteling met de tijd spreekt eruit. Een van mijn favorieten
in dit verband is het gedicht Ofir. Het maakt net als het
voorgaande Album
en Begin
deel uit van de cyclus Too late blues, een ode aan de Amerikaanse
acteur en filmmaker John Cassavetes (1929-1989). “De
gedachte gaf mij vorm. Zoals jongens namen zoeken / voor hun huis, zo heb ik
gezocht. Een naam, een plaats, / gevonden in een boek. Ofir las ik,
het bleef mij
bij // ...Zo is het jaren later ook met jou / en mij. Zo is het ooit met
iedereen, iets
in ons / moet sterker zijn”.
Eerst is er het verlangen naar een naam, dan het romantisch zwerven en
wordt er
“naar
goud gezocht”.
Jaren later ontstaat het gevecht met de tijd, het al dan niet
beklijven. En aan het eind verzucht de dichter “hoe
ongelijk / de strijd wel is.”
Maar een berusting is het niet: “Geboekstaafd
staat dat ik liever blind / wil zijn,
dat ik niet wil horen, in geen geval wil horen / dat brieven het maar
zelden halen
van de tijd.”
Hetzelfde gevoel zit zogezegd diep in de vezels van het daaropvolgende
gedicht Romantiek.
Maar hier overheerst relativering. In mijn beleving ontkracht het in zekere
zin zelfs het voorgaande gedicht. “Romantiek.
Ach wat, het woord is veel te dik voor wat / een man verdragen kan,
geen draaiboek kan sterker / dan het leven zijn. Schelden en vechten, dansen,
drinken, / eten, vrijen, werkwoorden van elke dag, daar gaat / het om.”
Merkwaardig,
steeds zijn er twee emoties, maar uit een hart. Wil
Rigolle de lente na
de winter herhalen, wil hij zijn brief alsnog beantwoord zien door de
tijd? Zo naief
is de dichter niet. Het is hem ergens anders om te doen. We vervolgen zijn
omtrekkende
beweging en gaan terug naar de winter, de ijskoude emotie. Eerder
citeerde ik uit Vlek: “stukken
van mensen vriest het”.
Enkele gedichten verder
in deze cyclus (Winterhart) in Vaart vraagt de dichter zich
het volgende af: “Is
het stilstand waarvan hij droomt? Een pas op de plaats, / een halt die iemand
toegeroepen wordt / ... Stilstand, / het kleine, bleke broertje van de dood,
is een verlangen, / dat maar even duurt ...”.
De kou in het hart lijkt niet te willen
wijken, totdat schaatsers “hun
messen slijpen”
en “hij
staat. Een en al oor alweer
voor de stemmen”.
Zo gaat het voortdurend in de gedichten van Rigolle: er
vindt een innerlijke dialoog in plaats, waar voors en tegens tegen elkaar worden
afgewogen, soms van stuivertje wisselen, maar in elk geval worden benoemd.
Dat gevoel zit in het diepst van elk van zijn gedichten. Het lijkt op een wikken
en wegen, maar daarvoor is Rigolle te trefzeker in wat hij ons zegt. Ik
zou het
‘meten’
willen noemen: hij meet de tijd en de ruimte om zich heen uit, en duidt.
Hart en steen zijn daarbij gelijkelijk aanwezig, zonder dat er situaties
zijn waarin
het hart feitelijk versteent, of waarin de dichter zich onomwonden tot de zomer
bekeert. Wanneer het ijskoud is, hervindt men zichzelf ten slotte en past zich
aan. Men slijpt de messen en vanuit de “stukken”
ontstaan vanzelf de schaatsers:
“Levensgroot,
/ alsof ze zichzelf hebben aangebonden, groeien ze / boven
hun schoenen uit. Een bril, de muts diep over de ogen, oren ingepakt, Winterhart.”
(uit: Krijger). Treffender kan haast niet. In de daarop volgende
cycli komen
er vooral herinneringen in zijn hart en is het nieuwe voorjaar een “Too
late
blues”.
Terug naar Kouwenaar: “vlees
dat bestaat als sneeuw voor de zon”.
De
tijd is bederfelijk en het lijkt wel of Rigolle dit citaat ook als een zelfrelativering
plaatst. Waar de dichter van droomt, wordt niet volledig duidelijk. Rigolle
lijkt een situatie vooral te nemen zoals die zich voordoet en die zo zorgvuldig
mogelijk te willen uitmeten en beschrijven. Er is geen doel, hooguit dit beurtelings
stilstaan, om vervolgens weer te jachten en te zwerven. Ik citeerde eerder
al uit het gedicht Manhattan. De dichter is in het diepst van zijn gedachten
een Reiziger: “Het
is een huis dat hem als een lichaam / past en hem gevangen
houdt.”
// ... Ook al lijkt hij hier gestrand, / hij weet: Hij kan verder zijn.
Paradijs Parijs.”
De
dichter past zijn inzichten aan wat hij tegenkomt op zijn reizen aan. Zijn
reizen
door landschappen, door seizoenen, door de tijd: dit verband lijkt mij evident.
In alle beeldspraak van Rigolle komt voor mij ‘tijd’
als een hoofdthema bovendrijven.
Het zijn stilstaande beelden, of althans in zichzelf gesloten werelden,
waarin iets niet compleet is en waarin verlangen en verstilling gelijkelijk
aanwezig zijn. Het is zoals in het gedicht van Duurland over Hopper “verf
die de tijd tart.”
Maar
om het raadsel van de tijd, de dualiteit van hart en steen, de schijnbare
en soms
schrijnende transparantie, die vorm van naaktheid te kunnen duiden, om dat
raadsel op te lossen, moeten we volgens mij naar een gedicht als Oker. Ik citeer
het hier integraal.
Oker
Wat
goed is komt snel, zegt men,
maar soms duurt alles langer dan verhoopt.
Je zoekt buiten wat wel vaker alleen van binnen zit.
Hartstocht komt en gaat, wat gebeuren moet
gebeurt, een niemandsland is om door te gaan.
Leiden
ligt in Nederland, durven is een kunst,
wie bang is wordt gebeten. Luister hazenhart,
maak geen moordkuil van dat hart van jou,
leg
de oren aan de grond, raak met oker in de weer
en herbegin. De weg die harten kunnen gaan is kort
het is maar even, maar soms is dat genoeg.
“Maak
geen moordkuil van dat hart van jou”
lijkt het spanningsveld tussen spreken
en zwijgen, beweging en verstilling, hart en steen, definitief op te
willen
heffen.
Ik vind het daarom een sterke regel, omdat het in combinatie met
“durven
is een kunst”
duiding geeft aan al het voorgaande: hart en steen
vormen
een sterke dualiteit, maar een die vooral in het hoofd en wezen van de hoofdpersoon
in de gedichten aanwezig is. Want natuurlijk zijn er ook andere
wegen:
“durven
is een kunst”,
het staat er als een eyeopener, en zo lees ik het
gedicht
ook. In plaats van te verharden of, omgekeerd, gegijzeld te worden door
het
hart met al zijn herinneringen en sentimenten, roept Rigolle op tot
durven.
Heel
eenvoudig: “leg
de oren aan de grond ... en herbegin.”
De laatste regels
dragen
in dat opzicht wat mij betreft een grote schoonheid in zich: “De
weg die
harten
kunnen gaan is kort / het is maar even, maar soms is dat genoeg.”
Nee,
het is Rigolle er niet om te doen de lente na de winter te herhalen, het
hart in
herinneringen te doen verstranden. Het is hem erom te doen de geslotenheid
op
te heffen. Het gaat in werkelijkheid niet om hart of steen, winter of
zomer: het gaat
om het inzicht dat het zich-openstellen, het zich-mededelen altijd beter
is
dan
te zwijgen.
Het
kiezen tussen stilstand en beweging, beschouwing en deelname, kom ik de laatste
tijd vaker tegen in poezie. Eerder schreef ik over dichter, slavist en reiziger
Johan de Boose (° Gent, 1962) naar aanleiding van diens bundel De
vrijheid
van zwijgen een
bijdrage in deze rubriek (6). In deze bundel wordt een sterke
voeling met de Pools-Amerikaans schrijver Czesław Miłosz
(1911-2004) merkbaar,
die heen en weer werd geslingerd tussen stille beschouwing en actief maatschappelijk
engagement. De Boose schrijft in een van zijn gedichten bijna berustend
“Niets
in mij dat nog in jou gelooft”
(7), maar doet dit niet nadat hij de aanwezigheid
van die naamloze persoon speurbaar heeft gemaakt door haar opnieuw
te beschrijven en haar aldus uit de anonimiteit van de geschiedenis te lichten.
Is bij De Boose het onderliggende motief wellicht compassie, met de enkeling
en de velen, en raakt hij aan de wereldgeschiedenis met zijn ontelbare gezichten,
bij Rigolle worden we veeleer deelachtig gemaakt aan een persoonlijk louteringsproces,
waarin de dualiteit hart-steen uiteindelijk plaats maakt voor een
ander inzicht en een nieuw perspectief. We lazen het al in Paars: “Zwijgen
stelt
niets voor, spreken is een plicht”.
Daarvoor dient het hart: “De
stem blijft een
spier om / op te warmen, waarop nog gewacht, wentel weg de steen, /breng
hem naar de stad, besta en zing en ga.”
Samenvattend ervaren we in deze bundel hoe Rigolle ons in een omtrekkende beweging
deelgenoot maakt van de ‘echte
thema’s’.
Hij doet dit door middel van
originele,
talige constructies waarin het treffende woord overheerst, een sober
idioom
maar raak gebruik van metaforen en een beeldspraak die haar
oorsprong
vindt in een knappe beheersing van diezelfde taal. Winter,
hart, verstilling: het zijn veeleer ondersteunende motieven die het raadsel
dienen op te lossen dat in de vezels van elk gedicht aanwezig is en dat, ondanks
een schijnbare transparantie, opgelost wil worden. En dat gebeurt aan het
eind, logischerwijze in de laatste cycli. In
het slotgedicht van de laatste cyclus klinkt niet zozeer berusting, maar
een nieuw
inzicht: “Hij
is niets kwijt, het rust in hem.”
(Zanger) Ik
hoop dat ik in het voorgaande recht doe aan de knappe en overtuigende
wijze
waarop
Rigolle ons tussen alle regels door van dit nieuwe inzicht wil overtuigen,
namelijk
dat spreken een plicht is van het hart, ... en durven een kunst. ■
Peter
WJ Brouwer
Noten
(1)
Jef Boven: in Weerwerk (http://jefboven.blogspot.com/)
(2) Chretien Breukers: Gedichten –
Paul Rigolle, in: De Contrabas
(http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2010/01/gedichten-paulrigolle.
html)
(3) Gerrit Kouwenaar: totaal witte kamer. Em. Querido’s
Uitgeverij (2003)
(4) Philip Hoorne: Het hart dat nimmer wijkt (http://knack.rnews.be)
(5) Jacqueline Duurland - Zoals Hopper dichten, in LxBxH
Dichters in de
Prinsentuin.
Uitgeverij Kleine Uil (2009)
(6) Peter WJ Brouwer: Johan
de Boose – De vrijheid van zwijgen – wie
spreekt,
voegt weinig toe,
in Ambrozijn, Versneden verzen (nummer 4,2009-2010)
(7) Johan de Boose: De vrijheid van zwijgen. Poeziecentrum vzw Gent
(2008)
Peter WJ Brouwer - Ambrozijn
- 2010
De volledige tekst van de recensie is tevens in pdf-versie na te
lezen op de site van Peter WJ Brouwer zelf en wel hier.
|
|
| |
Nieuwe bundel van
Paul Rigolle
Blijven tot het sneeuwt
Door Bert Bevers
Hij is al enige tijd uit, maar eindelijk is er een nieuwe bundel van
Paul Rigolle. Het was al van 1986 geleden dat de laatste, Overal
en op alle plaatsen, het licht zag. Da's al zowat een kwart
eeuw geleden....Ik lees de poëzie van deze West-Vlaamse dichter al
jaren erg graag. Hij schrijft gedichten om op te kauwen, om na te
proeven, met straffe regels als Dit leert ons de verdoving: de
bovenbouw / van de macht is een stadion vol strafschopgebieden. En een
zomer die paarsgelakte nagels draagt alsof hij een begenadigd dichter
was. En Stuurs: vóór de open wonde van het raam / spreekt een
oude winter hardop voor zichzelf. Rigolle prikkelt je fantasie, zet
je aan het denken. Met Om te zijn wat men al of niet wil zijn, moet
men / in de polsen van nu en nooit. Met Heffen wij een loflied
aan. Zuigen wij in Zijn naam // op de gekleurde rietjes van de
eeuwigheid. Met Zomer zal het zijn als op mijn papier de hagel
slaat. Nu voegde hij 43 gedichten aan zijn oeuvre toe. En ook die
staan boordevol beklijvende beelden en regels.
De titel van de
nieuwe bundel is Van het hart een steen. Hart
is een woord waaraan Paul Rigolle (˚ 1953, Roeselare) trouw is. Het
dook reeds in al zijn boeken op: Het hart bewoond, bezet / door de
hondstrouwe gestalte van een blues (uit De gestalte van een
blues, in Mond- en clownzeer uit 1980), Als
een vorm rondom een inhoud / leg ik een hart onder een arbeidershand (uit
de Epiloog van De Hel van het Noorden
uit 1982) en Nooit zo kreupel lijkt weer het hout als jij / op de
snelwegen van mijn razend hart verschijnt (uit Bulscampveld,
in Overal en op alle plaatsen uit 1986).
In zijn jongste bundel duikt het (inclusief bijvoorbeeld hazen-
en een winterhart) niet minder dan 9 keer op. En dan opent de
bundel ook nog met het motto 'Het hart is een holle spier in de borst
van mensen en hogere dieren'. Dat komt niet uit een literair werk, maar
uit Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal,
veertiende, herziene uitgave 2005, pagina 1328. Origineel.
Het wijst ook vooruit naar de regels die de auteur wijdt aan een minder
aangename periode, waarin hij geconfronteerd werd met problemen met zijn
eigen holle spier in de borst. In de cyclus Coronarografie
refereert hij aan zijn pech: De chirurg spreekt zalvend. Het is zo
geklaard. En: Hij spuit de antistoffen in. Het heeft een kleur,
/ alles heeft een kleur. Aders, vaten communiceren, / geven het ritme
aan. En: Dat dwaze hart dat driest en dik na al die tijd nog
altijd / alles wil [....]. Gelukkig voor zijn lezers is Paul
Rigolle weer helemaal op oorlogssterkte, Alive and well.
Het hart is dus stevig verankerd in zijn werk. Rigolle is bepaalde
woorden sowieso trouw. Neem, in deze bundel winter (inclusief
verwanten als winterhart en hongerwinter) dat je 8
keer ziet verschijnen. Of foto (4), film (4), sneeuw
(7) en licht (13). Spiegel, een woord dat je ook in al
zijn eerdere bundels reeds tegenkwam, geeft in Van het hart een
steen ook weer acte de présence. Betekent dit iets? Dat het
sleuteltermen zijn, dat ze onvervreemdbaar onderdeel van zijn systeem
uitmaken.
De bundel is onderverdeeld in zeven cycli van respectievelijk zes,
zeven, negen, acht, drie, zeven en drie verzen. De eerste reeks, eerder
gepubliceerd in het tijdschrift voor poëzie De Houten Gong, is
Winterhart. De eerste regel is Lang was het stil,
waarmee hij lijkt te refereren aan het gat van 23 jaar dat tussen de
vorige en de onderhavige bundel ligt:
Gebaar
Lang was het stil. Stil als een taal die slaapt,
etmaal in een seizoen dat nooit zovel traagheid
kent als men het heeft gedroomd. Stil als tijd
die ongemerkt in een gezicht heeft uitgehaald.
Hoe men op een dag de toon, de toets,
het barre land terug moet vinden, is wat hem
voor ogen staat. Mager, roerloos, takken uitgesneden
in het ochtendlicht, heffen zijn armen zich
naar de hemel op;. Het lijkt op een gebed
voor wie hem niet verstaat. Dit is de ochtend
van het blind gebaar, hij breekt het licht weer aan.
Om alles wat wit zal zijn, om tijd die met hem
verstrijkt wil hij blijven tot het sneeuwt.
Meerdere gedichten
uit deze bundel verschenen trouwens eerder in bloemlezingen en literaire
tijdschriften. Ook werden er her en der reeds bekroond. Zo waren er goed
voor de poëzieprijzen van Harelbeke, Merendree en Oostende.
Paul Rigolle is een dichter met een brede blik. Hij is geen
navelstaarder, maar weet de wereld om zich heen. Wat hem daarin zoal
raakt geeft hij een plaats in stevige gedichten. Want dat zijn ze, niet
alleen inhoudelijk maar ook qua vorm: zijn poëzie staat letterlijk en
figuurlijk als een huis. Het kortste gedicht telt nog altijd elf regels.
Zijn verzen zijn over het geheel genomen breed. Zoals gebruikelijk heeft
hij weer oog voor sport (Rigolle schreef ook wielerboeken: Op de
helling en - met Patrick Cornillie - Vélo-dromen: het
wielrennen in de Nederlandse literatuur). Stelde hij eerder
scherp op onder meer roeiers, wielrenners en tennissers, deze keer komen
schaatsers en zwemmers voor het voetlicht.
Zoals gezegd, geen navelstaarderij maar een weerspiegeling van het leven
in alle faetten. "De poëzie van Rigolle karakteriseert zich door
een complexe diagnose van het moderne bestaan, die veel dieper graaft
dan alleen maar de blote expressie van vreugde en verdriet zonder
noemer," noteerde Jef Boven al na lezing van De Hel van het
Noorden. Die analyse blijft actueel.
Veel gevoel, dat zeker. Maar strak verwerkt in het grotere geheel. Of,
zoals Philip Hoorne het in Knack verwoordde: "Paul Rigolle
beteugelt zijn opwellende emoties even strak als zijn strofen. Korte
zinnetjes en zinsdelen. Van komma naar komma tot punt bouwen de
gedichten zich op in een immer krachtige taal." Een voorbeeld:
Lamp
Wat hem lief is heeft hem omringd. De dingen
vertellen meer dan hij dat kan. Alles op de tast.
Handgemaakt, een specht uit Praag die
klimt op eigen kracht. Renner van azuur,
Provencaals, de Mont-Ventoux. De danser
die met zijn voeten praat, de man die dacht
dat hij een schip kon zijn. Een kei, een kans,
het potlood dat om zijn geluid de voorkeur krijgt
op het goud van elke pen. Er gloeit een lamp.
Zijn vinger aait het hout, de verloren lomp
die in het papier verborgen zit. Zijn kleine handen
baden in een kring van licht. Hij schrijft de ochtend op
die hem, aanwezig in ieder ding, betrappen mag.
Ik vind dit mooie,
geheimzinnige poëzie. Prikkelend, verrassend. De reeks Too late
blues is deels geïnspireerd door de acteur-regisseur John
Cassavetes en diens werk. Cassavetes (1929-1989) schitterde als jong
acteur in de televisieserie Johnny Staccato (1959) en
in de klassieker Rosemary's Baby (1968) en draaide zelf
rolprenten als Shadows (1961) en A Woman Under
The Influence (1970). Op de een of andere manier denk ik - dat
zal door Johnny Staccato komen - bij de naam Cassavetes
altijd in zwart-wit , en ook de poëzie van Paul Rigolle is voor mij
zwart-wit. Niet inhoudelijk, maar qua sfeer. Ik zie er vaak kringelende
rook bij, hoor er ijsblokjes bij in een borrel tinkelen, vermoed er
broeierige muziek bij.
Een bijzonder mooi drieluik vind ik Insel Hombroich,
geschreven naar aanleiding van een bezoek aan dat adembenemend mooie
openluchtmuseum in Neuss, nabij Düsseldorf (een aanrader, maar dit
terzijde hier). Het laatste paneel daarvan:
III
Strompel maar aan gestalte, laat het hangen klank.
Groet en registreer wat telkens weer
in een toponiem herwonnen wordt.
Toren, kluis en labyrint. Melkweg, firmament.
Het gebouw als slak, het gebouw als hart.
Lang en breed, de weg ligt open, de weg ligt vast.
Deinend als een snek op een zee van groen
laten wij de grenzen varen. Verloren paradijs.
Droomland dat niets aan kracht heeft ingeboet.
Roep en roep opnieuw. Kwadrateer. Een glimlach
barst in ons in lachen uit. In een oogwenk
staat alles stil en opgeschort zoals het hoort.
Deze man kan, voorwaar, goed waarnemen. Bemerk dat ook hier weer het
hart opduikt. De auteur zelf zei, op De Contrabas, over zijn
jongste boek: "Ik hou wel van het geheel en het opzet van deze
bundel. De metafoor van het hart loopt als een kleine rode wichelroede
doorheen Van het hart een steen. Ook het gegeven dat het leven veel van
deze gedichten in de jaren van hun ontstaan is komen nadoen, en niet
omgekeerd, maakt de bundel voor mij speciaal. Het hart zelf sputterde in
de loop van de jaren dat de gedichten geschreven zijn, zelfs letterlijk
tegen. Als wilde het volop deelnemen aan deze gedichten. In die zin zit
in veel van de gedichten in Van het hart een steen een
pak 'voorzienigheid'." Van het hart een steen is
wat mij betreft een van de sterkste bundels die onlangs verschenen. Paul
Rigolle schrijft een poëzie die aan je blijft haken, poëzie van een
robuuste élégance.
Bert Bevers
Mond- en clownzeer, Yang Poëziereeks, Gent,
1980
De Hel van het Noorden, Vers, Sint-Niklaas, 1982
Overal en op alle plaatsen, Crop & Sla, Ettelgem,
1986
Van het hart een steen, Poëziecentrum, Gent, 2009
Bert Bevers - Het
wenkende vuur - "Blijven
tot het sneeuwt"
Ook gepubliceerd bij De
geletterde mens
Blogbericht
|
|
| |
5-1-10
Gedichten: Paul Rigolle

Paul
Rigolle (1953) is dichter en schrijver. Redactielid van Digther
en medewerker van Veduta en Poëzierapport.
Publiceerde eerder de dichtbundels Mond- en Clownzeer (1980), De
Hel van het Noorden (1982) en Overal en op alle plaatsen
(1986) en de wielerboeken Op de helling (1990) en Vélo-dromen:
het wielrennen in de Nederlandse literatuur (i.s.m. Patrick
Cornillie, 1991). Onlangs verscheen Van
het hart een steen, bij het Poëziecentrum.
1.
Wat is uw favoriete gedicht uit deze bundel?
Da’s
een moeilijke! Als ik dan toch moet kiezen, ga ik, in deze periode van
volle vaten glühwein en andere gelukzaligheiden, voor een ijsgedicht
uit de cyclus Winterhart. Het wintergedicht tussen Damme en
Brugge misschien. Omwille van het wat sloganeske “Nering krijg de
tering”-gevoel en de herinnering aan een kou die helemaal vanuit het
Noorden komt.
Krijger
(Brugge-Damme en terug)
Op
de oevers zal men wuiven. Water waarover
men lopen kan en dat gestold de beide steden bindt.
Met duizenden komen ze aangewaaid. Levensgroot,
alsof ze zichzelf hebben aangebonden, groeien ze
boven hun schoenen uit. Een bril, de muts diep
over de ogen, oren ingepakt, Winterhart. Niemand
kan hem zien. Wulken, oliebollen, warme wijn.
Nering, krijg de tering. Hou de klapschaats
aan de praat. Zachtjes buigend, een hand op de rug,
heeft hij zich gemengd. Krappe krijger. In het feest
van oude klare slijpt hij krijtwit zichzelf terug,
komt tenslotte voor het donker aan, versluisd,
verdoofd, als een brief in een bus.
(2)
Vertel wat u over deze bundel kwijt wilt, in maximaal 200 woorden die
niet op de flaptekst mogen voorkomen.
Ik
hou wel van het geheel en het opzet van deze bundel. De metafoor van het
hart loopt als een kleine rode wichelroede doorheen Van het hart een
steen. Ook het gegeven dat het leven veel van deze gedichten in de
jaren van hun ontstaan is komen nadoen, en niet omgekeerd, maakt de
bundel voor mij speciaal. Het hart zelf sputterde in de loop van de
jaren dat de gedichten geschreven zijn, zelfs letterlijk tegen. Als
wilde het volop deelnemen aan deze gedichten. In die zin zit in veel van
de gedichten in Van het hart een steen een pak “voorzienigheid”.
In
de hele eerste versie van Manhattan stonden de Twintowers nog recht
terwijl iemand nu in het gedicht naar Manhattan wil als naar het einde
van de wereld. In de cyclus Coronarografie was er met het hart
nog helemaal niks aan de hand… De taal doet vreemde dingen met een
man. Maar uiteraard illustreert zo’n bundel nog het meest hoe je zelf
het liefst wil schrijven. Niet bang om onmodieus te klinken. Niet bang
om voluit het hoofd (en het hart te bieden) aan wat ik graag noem “De
angst voor de ernst”. Want uiteindelijk:
Zwijgen
stelt niets voor, spreken is een plicht
die zoveel groter is. De stem blijft een spier om
op te warmen, waarop nog gewacht, wentel weg de steen,
Breng hem naar de stad, besta en zing en ga.
Uit 'Paars'
(3) Welke dichters (of dichter) behoorde(n) bij het schrijven van
deze bundel tot uw inspiratiebronnen? Op welke wijze?
Dichters
als specifieke inspiratiebronnen? Niet echt. Maar ze kijken natuurlijk
wel allemaal mee, de dichters die je in de loop van de jaren meer dan
andere blijft lezen en herlezen. Het hele lijstje… Van Pernath, over
De Haes tot bij Van Tongele. Via Claus, Hertmans en Ter Balkt tot bij
D’haen. Van Wallace Stevens over Pessoa, Brodsky, Eliot tot bij
Heaney. De bundel bevat ook een cyclus “Too late Blues” (Al te
late brieven aan John Cassavetes). De titel verwijst naar een oude,
vergeelde film van Cassavetes en er staan een pak verwijzingen in naar
dichters en dingen.
Maar
invloeden laten zich uiteraard veelal onbewuster gelden dan je dat
vermoedt. Waar ze beginnen valt achteraf meestal niet meer uit te maken.
Wat je zelf maakt is meestal een blauwdruk van alles wat je hebt
gelezen, gezien, overwogen, uitgekraamd… Waar je op hebt gegokt, waar
je van houdt… In de poëzie mag van mij alles. De helderheid van
kristal. Podiumgeraas. Rubbish, onzin, platvloersheid…
Bergwater … Maar zelf hou ik, zoals al gezegd, nog altijd meer van
gedichten die de ernst niet schuwen. En in hun beste momenten een nieuwe
draai aan de taal weten te geven.
Het
mag wat mij betreft best wat duisterder.. Poëzie is gewoon een kast vol
muziekjes die er staat voor de rest van het leven. Van Rilke tot
Ramstein. Van Leopold M. Van den Brande tot Springsteen. Van Pergolesi
tot Pfeijffer … Mijn enige eigen ambitie is het om daar uiteindelijk
af en toe ‘ns en haast ongemerkt een niet onaardige Rigolle tussen te
schuiven.
Bron: Drie
vragen van De Contrabas
|
|