Van het hart een steen - Recensies  
 
 
     
 

 

Feestdis

Met de bundel ‘Van het hart een steen’ schuift Paul Rigolle (°1953, Roeselare) voor de vierde keer aan voor de feestdis waar taal wordt geserveerd die ‘langer duurt dan haar datum’. Voordien verschenen van zijn hand ‘Mond- en Clownzeer’ (1980), ‘De hel van het Noorden’ (1982) en ‘Overal en op alle plaatsen’ (1986). Geen veelschrijver bijgevolg, en één die gedichten lang laat rijpen voor ze worden opgediend. In 1999 duiken al gedichten uit de bundel op in laudatio’s van literaire prijzen. De werktitel was ‘Winterhart’, géén toeval. Verschillende cycli uit de bundel verwijzen naar deze ‘doos die alles heeft bewaard’: ‘Van het hart een steen’, ‘Coronarografie’. Het kan niet anders of veel van deze gedichten zijn literaire transscripties van ingrijpende persoonlijke ervaringen. ‘Stilstand’ wordt niet toevallig ‘het kleine, bleke broertje van de dood’ genoemd. In het gedicht ‘Cryptiek’ slaat een dichter met een stok naar slangen: schrijven als poging om het gevaar te bezweren? De schaaters op de vaart (!) uit een ander gedicht vormen een prachtig tegenbeeld van die stilstand, al laat de dichter in het midden wat de lezer met ‘het slijpen van hun messen’ moet.
Niettemin vind ik de cyclus ‘Too late blues’ een bundeling ‘al te late brieven aan John Cassaveters (1929-1989)’ het zwaartepunt uit de bundel. De gedichten komen los van hun thema te staan, zijn complexer naar inhoud en vorm. De dichter heeft er volgens mij zijn taalidioom gevonden, een traag evoluerend adagio over leven (overleven?), liefde en dood. Het gedicht ‘Decor’ speelt in die cyclus een exemplarische rol. Bloed kruipt waar het niet kan gaan.
De poëzie van Rigolle staat in een literaire traditie. Ze is nieuw zonder nieuwlichterij. Géén geëxalteerd taalgebruik. Taal blijft intact. Bijgevolg géén geëxperimenteer of wat voor deconstructie dan ook. Postzweverige plankspringers lopen best het blokje om.
In de bundel ‘van het hart een steen’ is een man aan het woord die aan de rand van rivieren wilde staan en uitzicht heeft.

Hugo Verstraeten.
 
Digther – 2009 – 10° jaargang 3


Paul Rigolle, Van het hart een steen, Gent, Poëziecentrum, 2009, 58 pp. ISBN 978 90 5655 3142.

 

 
     
 
 
     
 

 

Strak

Paul Rigolle (1953) publiceerde verscheidene bundels waaronder Mond- en Clownzeer (1980), De Hel van het Noorden (1982) en Overal en op alle plaatsen (1986). Hij publiceerde ook enkele wielerboeken.
De bundel Van het hart een steen is ingedeeld in 7 cyclussen. De bundel is gekenmerkt door een strenge structuur. In de eerste cyclus ‘Winterhart’ tellen alle gedichten 3 strofen met respectievelijk 5-5-3 verzen. In de cyclussen ‘Coronarografie’ en ‘Van het hart een steen’ tellen de gedichten 3 strofen van respectievelijk 5-3-3 verzen. Ook de andere cyclussen zijn zeer structureel opgebouw. In ‘Too late blues’ zijn er telkens 2 strofen van 9 verzen. Daarnaast zijn er de eveneens strak gehouden cyclussen ‘Lichtmis’ ‘Insel Hombroich’ en ‘Album Drie’. Dat toont enigszins aan dat er aan deze bundel ernstig gewerkt is. De dichter heeft geschaafd aan de verzen en deze ingepast in een strak kader, waarbij veel enjambementen worden gebruikt en waardoor het neerkomen van het vers niet altijd eindigt met het einde van de zin waar de punt staat.
De gedichten lezen moeilijk, vragen een traag leesritme en een herhaalde lezing. Al herlezend, strofe na strofe en sommige strofen een paar keer na elkaar, dringt de lezer in het gedicht door en geeft de inhoud zich duidelijk vrij. Een paar onderwerpen: de koude van de winter die de mensen binnendringt staat centraal in de eerste cyclus; de tweede cyclus gaat over het hart waarover de specialist zich buigt. De gedichten uit ‘Album drie’ zijn eenvoudiger dan de rest. ‘Insel Hombroich’ bevat enkele mooie gedichten. ‘Too late blues’ kreeg de ondertitel ‘al te late brieven aan John Cassavetes en anderen’. Herinneringen, bedenkingen worden door een ‘ik’ aan een ‘denkbeeldige’ lezer neergeschreven.
Als voorbeeld het gedicht Doos uit de cyclus Coronarografie:


Hij spuit de antistoffen in. Het heeft een kleur,
alles heeft een kleur. Aders, vaten communiceren, 
geven het ritme aan. Je gelooft je ogen niet, 
je knijpt jezelf, kan het dat alles hierin zit, een doos 
die alles heeft bewaard. Wat je dacht, wat je had

en wat je hebt gedroomd. Alles waarvan je houdt. 
Waar men de sherry wint, waar de blues 
geboren wordt. Verbaasd om bij elkaar te zien
 

wat ooit ook samen was. Kitsch en Klaver, het is er 
allemaal. Mooie balsem, verzachtend aangebracht. 
Mensen veel, maar alleen jij en ik daar gaat het om.

Ik heb de gedichten herhaaldelijk grondig doorgenomen. Je houdt dat vol omdat ze blijven boeien. Een speciale leeservaring. Goede bundel. Graag gelezen.

Hervé J. Casier
VKH-Mededelingen – Mei 2010

 
 
 
 

 

Versneden verzen

Paul Rigolle – Spreken is een plicht die zoveel groter is

Over de bundel Van het hart een steen van dichter en schrijver Paul Rigolle (°Roeselare, 1953) verschenen inmiddels een aantal recensies, o.a. van PhilipHoorne en van Jef Boven. Meer een man van stenen/dan van sterren schrijft Rigolle over de hoofdpersoon in het gedicht Honing, dat deel uitmaakt van zijn bij Poeziecentrum vorig jaar verschenen bundel. Jef Boven, eertijds poeziecriticus voor het tijdschrift Appel, schreef over Rigolle In de bundel bewonder ik vooral de harde, mannelijke, stoische toon, die een onbedwingbare, alles doordringende tederheid en een hernieuwde openheid voor de wereld niet in de weg staat. (1)
Ikzelf werd als lezer geraakt door het idioom, de ritmiek en beeldspraak die bij
Rigolle evenwichtig aanwezig zijn. Daarnaast zijn er een stuk onvervalste romantiek, fraaie landschapsbeschrijvingen, breedsprakigheid ook en openhartigheid, zaken die beklijven. Als lezer en als schrijver ben ik gevoelig voor poezie die haar schoonheid ontleent door vanuit de taal zelf te ontstaan, in plaats van te beschrijven of die het moet hebben van een specifiek idioom of stijlfiguren. Bij Rigolle ervaar ik een dichtheid van de taal: beelden ontstaan veelal vanuit talige constructies die zeker origineel zijn. Rigolle vind ik in deze bundel op zijn best in de gedichten waarin hij zich niet zozeer uitspreekt, maar de taal al het werk laat doen. Dan dringt zich op overtuigende wijze een beeld op waarbij van het hart een steen wordt gemaakt, of omgekeerd. 
Over de titel van de bundel: de metafoor van het hart speelt steeds een centrale
rol. Schoonheid, zo staat op de cover geschreven, dient daarbij als breekijzer. In een interview met De Contrabas (2) typeert Rigolle de metafoor van het hart zelf als een kleine rode wichelroede. Maar in de eerste gedichten van deze bundel is het winter, en in die cyclus, Winterhart, is vooral verstilling. Nergens uitbundigheid. Gevoelens lijken te stollen, te verharden in een gedicht als Vlek: Rijm / en rijp, takken knappen, het vriest. Stenen / uit de grond, stukken van mensen vriest het. De uitbreiding in de tweede zin werkt treffend in combinatie met het eenvoudige idioom dat een omgeving beschrijft. Dit fraaie beeld wordt voortgezet in de volgende zin Stukken van mensen zoeken zichzelf terug. Dan volgt de uitwerking, waarin volgens mij een depersonalisering plaatsvindt: Winter is om bij te houden. Een prent die taant / en tranen mag op de koekjestrommel van de tijd. In het kleine, de prent en de koekjestrommel, vindt tegelijkertijd een uitbreiding, vergroting plaats, namelijk die van de tijd. Het beeld waarin mensen uiteenvallen, is echter dat van een seizoen, de winter. Zo beschrijft Rigolle de tijd, zonder haar expliciet te benoemen. De laatste regels vind ik fraai, omdat er duiding wordt gegeven aan het voorgaande, zonder dat dit het beeld ontkracht: Zoekgeraakt is niets nog om na te streven / als het geen zuiverheid heeft die zo tastbaar wordt / dat je ze schetsen kon als je dat maar wou. Door de ritmiek, de sterke aanwezigheid van de dichter binnen het vers (je) en de vele bijzinnen moest ik onwillekeurig denken aan Gerrit Kouwenaar 
(° Amsterdam, 1923). En ja: Rigolle opent deze cyclus met een citaat van deze
dichter: het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft / in een klok die niet loopt, in het vlees / dat bestaat als sneeuw voor de zon. 3) Het is zo koud dat alles stilstaat, en dit beeld moet vertaald om tastbaar te worden, bijvoorbeeld in een klok die niet loopt. Maar niets is absoluut. Want het vlees bestaat als sneeuw voor de zon. Welke betekenis kent Rigolle aan het vlees toe? In de vorm van een lichaam biedt het een metafoor om tot beweging te komen. Aan het hart wordt hierbij een bijzondere betekenis toegekend: het staat in dienst van de taal, het kan zich uitspreken. De titelcyclus Van het hart een steen bevat het gedicht Paars. De functie van het hart wordt hierin als volgt beschreven: Zwijgen stelt niets voor, spreken is een plicht // die zoveel groter is. De stem blijft een spier om / op te warmen, waarop nog gewacht, wentel weg de steen, / breng hem naar de stad, besta en zing en ga.In dit gedicht bestaat vlees niet als sneeuw voor de zon, maar is het een instrument om op te warmen, leven te bieden, te bestaan. Men - de dichter als hoofdpersoon spreekt zichzelf toe en roept zichzelf op tot een loutering die, bij nader beschouwing, in zijn beeldspraak Bijbels geinspireerd lijkt. De weggerolde steen doet denken aan het verrijzenisverhaal en besta en zing en ga klinkt als in het genezingsverhaal: sta op, ga. De titel van de bundel zet de lezer wat dat betreft direct al op het verkeerde been. Want er is dus meer aan de hand dan die kennelijke tegenstelling van hart en steen. Hoe een gedicht als Paars te duiden, waaruit bestaat de oproep die in dit vers wordt gedaan? Philip Hoorne: In tegenstelling tot wat de titel van de bundel insinueert, is hier geen hardvochtig man aan het woord. Eerder hartvochtig, bluesy. De menselijke harde (!) schijf is niet het hoofd, wel het hart. 4)Ik ben het met deze constatering helemaal eens en wil hier meteen aan toevoegen dat de bundel zelf nergens sentimenteel wordt, wat Hoorne ook al opmerkt: Dat komt omdat Paul Rigolle zijn opwellende emoties even strak beteugelt als zijn strofen. Inderdaad: overal vinden we het treffende woord, een sober idioom maar raak gebruik van metaforen en beeldspraak die haar oorsprong vindt in een knappe beheersing van de taal. En toch: ondanks de harde toon, het barokke taalgebruik, een kennelijke transparantie wanneer de dichter als mens explicieter aan het woord komt, blijft er een raadsel. Waarom die dualiteit van hart en steen, als de dichter zich bij voorbaat reeds tot het hart wil bekeren, waarom die omtrekkende beweging? De themas in de gedichten zijn haast tegenstrijdig te noemen. Geslotenheid versus spreken. Taal versus zwijgen. Winter versus voorjaar. Stilstand versus reizen, met steeds het hart als metafoor: Zoals de zee moet zijn voor wie gevangen zit, / zo houdt hij de wereld aan. Een plaats zoekt hij / voor wat desperaat, en een plaats voor wat / uitzinnig is. // ... kransslagader van een stad. Vermoeid en kreupel, / krimpend beeld, geschonden skyline met naalden uitgespaard. / Manhattan metafoor, je mag mij hebben, ik kom eraan. (uit Manhattan). Vanwaar deze tegenstelling van zijn en komen, samengepakt in het thema reizen, beter gezegd: hoe ze te duiden? Want zoals ik al zei: de gedichten van Rigolle zijn - op een eigenaardige manier - heel transparant en toch ook gesloten. Er wordt zorgvuldig in gezegd wat gezegd moet, maar de lijn, de beweging zelf ontbreekt. Wellicht zit daar de crux. Rigolle laat ons steeds beelden zien, die in zichzelf compleet zijn, maar die een voorgeschiedenis en een afloop ontberen. Het zijn zogezegd impressies die we vanuit een versmald perspectief, het lijkt wel door een diafragma, waarnemen: over het voor- en nadien ontvangen we, naar mijn idee, vrij summier informatie. Misschien is dit weglaten, dit niet-uitspreken maar suggereren tegelijkertijd een sterk punt, wat eigen is aan elke goede poezie. Het is of winter, of zomer, het speelt zich altijd in het hier en nu af, en ondanks gemijmer over toen moeten we het als lezer, net als de hoofdpersoon in het gedicht, met het nu doen. Ik kom hier dadelijk op terug. In hun zeggingskracht zijn het ook ijzersterke beelden, die een begin en einde kunnen ontberen. Het is als met de schilderijen van Hopper. En daarbij moest ik denken aan een gedicht dat ik afgelopen zomer van Jacqueline Duurland (°Amsterdam, 1955) las:

Zoals Hopper dichten

Zoals Hopper dichten,
zo dat je eenzame kamers ziet
met kille kleuren en bleek licht.
De secretaresse die niet bukt,
de doorzakker die niet drinkt
en de echtgenote die niet neukt.
 

Zoals Hopper dichten,
zodat huizen zich openen
en primaire tinten spreken.
De vrouw die aan het venster wacht,
de trein die aankomt
en de verf die de tijd tart.(5)

Zoals Hopper dichten betekent begin en einde weglaten. Gaandeweg ontwikkelt zich bij Rigolle natuurlijk het eigen verhaal, maar feit blijft dat de gedichten elk op zichzelf een gesloten beeld geven met een vermoeden van meer. Ze dragen zogezegd elk het verhaal al in zich. Maar in welke vorm of metafoor het gedicht zich ook aan ons voordoet, steeds beklijft eenzelfde vermoeden van iets. Een onvervuld verlangen? In Begin komen begin en einde feitelijk samen:
Dat dwaze hart dat driest en dik na al die tijd nog altijd / alles wil, eerder al nochtans zo vaak door een oog / dat groter was, bedrogen werd. Hart dat niet
van wijken / weten wil, jong geleerd en oud gedaan nog steeds / kan blijven doen alsof alles voor het grijpen ligt. De dichter constateert, maar lijkt niet te kunnen beslissen. Gaandeweg word ik steeds nieuwsgieriger wat Rigolle nu eigenlijk wil. Terug naar het toen versus nu: in Album beschrijft de dichter een herinnering, opgedaan in de zeventiger jaren: Ik vertaal / ook nu nog vrij: Schaduwen, Al te late Blues, Kind / dat wacht, Echtgenoten, Openingsnacht. Vrouwen // onder invloed, Gezichten, Gloria, de beelden sprongen / van het doek, sloegen tussen onze ogen toe // ... of het al dan niet / te vroeg voor woorden was, voor wat, vroeg of laat, / net als in die films van jou ook in onze ziel ontbranden moest. Deze passie lijkt een kant van het verhaal dat hij ons wil vertellen. Een heimwee en een worsteling met de tijd spreekt eruit. Een van mijn favorieten in dit verband is het gedicht Ofir. Het maakt net als het voorgaande Album en Begin deel uit van de cyclus Too late blues, een ode aan de Amerikaanse acteur en filmmaker John Cassavetes (1929-1989). De gedachte gaf mij vorm. Zoals jongens namen zoeken / voor hun huis, zo heb ik gezocht. Een naam, een plaats, / gevonden in een boek. Ofir las ik, het bleef mij bij // ...Zo is het jaren later ook met jou / en mij. Zo is het ooit met iedereen, iets in ons / moet sterker zijn.
Eerst is er het verlangen naar een naam, dan het romantisch zwerven en wordt
er naar goud gezocht. Jaren later ontstaat het gevecht met de tijd, het al dan niet beklijven. En aan het eind verzucht de dichter hoe ongelijk / de strijd wel is. Maar een berusting is het niet: Geboekstaafd staat dat ik liever blind / wil zijn, dat ik niet wil horen, in geen geval wil horen / dat brieven het maar zelden halen van de tijd.
Hetzelfde gevoel zit zogezegd diep in de vezels van het daaropvolgende gedicht
Romantiek. Maar hier overheerst relativering. In mijn beleving ontkracht het in zekere zin zelfs het voorgaande gedicht. Romantiek. Ach wat, het woord is veel te dik voor wat / een man verdragen kan, geen draaiboek kan sterker / dan het leven zijn. Schelden en vechten, dansen, drinken, / eten, vrijen, werkwoorden van elke dag, daar gaat / het om.Merkwaardig, steeds zijn er twee emoties, maar uit een hart. Wil Rigolle de lente na de winter herhalen, wil hij zijn brief alsnog beantwoord zien door de tijd? Zo naief is de dichter niet. Het is hem ergens anders om te doen. We vervolgen zijn omtrekkende beweging en gaan terug naar de winter, de ijskoude emotie. Eerder citeerde ik uit Vlek: stukken van mensen vriest het. Enkele gedichten verder in deze cyclus (Winterhart) in Vaart vraagt de dichter zich het volgende af: Is het stilstand waarvan hij droomt? Een pas op de plaats, / een halt die iemand toegeroepen wordt / ... Stilstand, / het kleine, bleke broertje van de dood, is een verlangen, / dat maar even duurt .... De kou in het hart lijkt niet te willen wijken, totdat schaatsers hun messen slijpen en hij staat. Een en al oor alweer voor de stemmen. Zo gaat het voortdurend in de gedichten van Rigolle: er vindt een innerlijke dialoog in plaats, waar voors en tegens tegen elkaar worden afgewogen, soms van stuivertje wisselen, maar in elk geval worden benoemd. Dat gevoel zit in het diepst van elk van zijn gedichten. Het lijkt op een wikken en wegen, maar daarvoor is Rigolle te trefzeker in wat hij ons zegt. Ik zou het meten willen noemen: hij meet de tijd en de ruimte om zich heen uit, en duidt. Hart en steen zijn daarbij gelijkelijk aanwezig, zonder dat er situaties zijn waarin het hart feitelijk versteent, of waarin de dichter zich onomwonden tot de zomer bekeert. Wanneer het ijskoud is, hervindt men zichzelf ten slotte en past zich aan. Men slijpt de messen en vanuit de stukken ontstaan vanzelf de schaatsers: Levensgroot, / alsof ze zichzelf hebben aangebonden, groeien ze / boven hun schoenen uit. Een bril, de muts diep over de ogen, oren ingepakt, Winterhart. (uit: Krijger). Treffender kan haast niet. In de daarop volgende cycli komen er vooral herinneringen in zijn hart en is het nieuwe voorjaar een Too late blues. Terug naar Kouwenaar: vlees dat bestaat als sneeuw voor de zon. De tijd is bederfelijk en het lijkt wel of Rigolle dit citaat ook als een zelfrelativering plaatst. Waar de dichter van droomt, wordt niet volledig duidelijk. Rigolle lijkt een situatie vooral te nemen zoals die zich voordoet en die zo zorgvuldig mogelijk te willen uitmeten en beschrijven. Er is geen doel, hooguit dit beurtelings stilstaan, om vervolgens weer te jachten en te zwerven. Ik citeerde eerder al uit het gedicht Manhattan. De dichter is in het diepst van zijn gedachten een Reiziger: Het is een huis dat hem als een lichaam / past en hem gevangen houdt. // ... Ook al lijkt hij hier gestrand, / hij weet: Hij kan verder zijn. Paradijs Parijs.De dichter past zijn inzichten aan wat hij tegenkomt op zijn reizen aan. Zijn reizen door landschappen, door seizoenen, door de tijd: dit verband lijkt mij evident. In alle beeldspraak van Rigolle komt voor mij tijd als een hoofdthema bovendrijven. Het zijn stilstaande beelden, of althans in zichzelf gesloten werelden, waarin iets niet compleet is en waarin verlangen en verstilling gelijkelijk aanwezig zijn. Het is zoals in het gedicht van Duurland over Hopper verf die de tijd tart.Maar om het raadsel van de tijd, de dualiteit van hart en steen, de schijnbare en soms schrijnende transparantie, die vorm van naaktheid te kunnen duiden, om dat raadsel op te lossen, moeten we volgens mij naar een gedicht als Oker. Ik citeer het hier integraal. 

Oker

Wat goed is komt snel, zegt men, 
maar soms duurt alles langer dan verhoopt.
Je zoekt buiten wat wel vaker alleen van binnen zit.
Hartstocht komt en gaat, wat gebeuren moet
gebeurt, een niemandsland is om door te gaan.

Leiden ligt in Nederland, durven is een kunst,
wie bang is wordt gebeten. Luister hazenhart,
maak geen moordkuil van dat hart van jou,

leg de oren aan de grond, raak met oker in de weer
en herbegin. De weg die harten kunnen gaan is kort
het is maar even, maar soms is dat genoeg.

Maak geen moordkuil van dat hart van jou lijkt het spanningsveld tussen spreken en zwijgen, beweging en verstilling, hart en steen, definitief op te willen heffen. Ik vind het daarom een sterke regel, omdat het in combinatie met durven is een kunst duiding geeft aan al het voorgaande: hart en steen vormen een sterke dualiteit, maar een die vooral in het hoofd en wezen van de hoofdpersoon in de gedichten aanwezig is. Want natuurlijk zijn er ook andere wegen: durven is een kunst, het staat er als een eyeopener, en zo lees ik het gedicht ook. In plaats van te verharden of, omgekeerd, gegijzeld te worden door het hart met al zijn herinneringen en sentimenten, roept Rigolle op tot durven. Heel eenvoudig: leg de oren aan de grond ... en herbegin. De laatste regels dragen in dat opzicht wat mij betreft een grote schoonheid in zich: De weg die harten kunnen gaan is kort / het is maar even, maar soms is dat genoeg. Nee, het is Rigolle er niet om te doen de lente na de winter te herhalen, het hart in herinneringen te doen verstranden. Het is hem erom te doen de geslotenheid op te heffen. Het gaat in werkelijkheid niet om hart of steen, winter of zomer: het gaat om het inzicht dat het zich-openstellen, het zich-mededelen altijd beter is dan te zwijgen. Het kiezen tussen stilstand en beweging, beschouwing en deelname, kom ik de laatste tijd vaker tegen in poezie. Eerder schreef ik over dichter, slavist en reiziger Johan de Boose (° Gent, 1962) naar aanleiding van diens bundel De vrijheid van zwijgen een bijdrage in deze rubriek (6). In deze bundel wordt een sterke voeling met de Pools-Amerikaans schrijver Czesław Miłosz (1911-2004) merkbaar, die heen en weer werd geslingerd tussen stille beschouwing en actief maatschappelijk engagement. De Boose schrijft in een van zijn gedichten bijna berustend Niets in mij dat nog in jou gelooft (7), maar doet dit niet nadat hij de aanwezigheid van die naamloze persoon speurbaar heeft gemaakt door haar opnieuw te beschrijven en haar aldus uit de anonimiteit van de geschiedenis te lichten. Is bij De Boose het onderliggende motief wellicht compassie, met de enkeling en de velen, en raakt hij aan de wereldgeschiedenis met zijn ontelbare gezichten, bij Rigolle worden we veeleer deelachtig gemaakt aan een persoonlijk louteringsproces, waarin de dualiteit hart-steen uiteindelijk plaats maakt voor een ander inzicht en een nieuw perspectief. We lazen het al in Paars: Zwijgen stelt niets voor, spreken is een plicht. Daarvoor dient het hart: De stem blijft een spier om / op te warmen, waarop nog gewacht, wentel weg de steen, /breng hem naar de stad, besta en zing en ga.” 
Samenvattend ervaren we in deze bundel hoe Rigolle ons in een omtrekkende
beweging deelgenoot maakt van de echte themas. Hij doet dit door middel van originele, talige constructies waarin het treffende woord overheerst, een sober idioom maar raak gebruik van metaforen en een beeldspraak die haar oorsprong vindt in een knappe beheersing van diezelfde taal. Winter, hart, verstilling: het zijn veeleer ondersteunende motieven die het raadsel dienen op te lossen dat in de vezels van elk gedicht aanwezig is en dat, ondanks een schijnbare transparantie, opgelost wil worden. En dat gebeurt aan het eind, logischerwijze in de laatste cycli. In het slotgedicht van de laatste cyclus klinkt niet zozeer berusting, maar een nieuw inzicht: Hij is niets kwijt, het rust in hem. (Zanger) Ik hoop dat ik in het voorgaande recht doe aan de knappe en overtuigende wijze waarop Rigolle ons tussen alle regels door van dit nieuwe inzicht wil overtuigen, namelijk dat spreken een plicht is van het hart, ... en durven een kunst.

Peter WJ Brouwer

Noten

(1) Jef Boven: in Weerwerk (http://jefboven.blogspot.com/)
(2) Chretien Breukers: Gedichten
Paul Rigolle, in: De Contrabas
(http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2010/01/gedichten-paulrigolle. html)
(3) Gerrit Kouwenaar: totaal witte kamer. Em. Querido
s Uitgeverij (2003)
(4) Philip Hoorne: Het hart dat nimmer wijkt (http://knack.rnews.be)

(5) Jacqueline Duurland - Zoals Hopper dichten, in
LxBxH Dichters in de Prinsentuin. Uitgeverij Kleine Uil (2009)
(6) Peter WJ Brouwer:
Johan de Boose – De vrijheid van zwijgen – wie spreekt, voegt weinig toe, in Ambrozijn, Versneden verzen (nummer 4,2009-2010) 
(7) Johan de Boose: De vrijheid van zwijgen. Poeziecentrum vzw Gent
(2008)

Peter WJ Brouwer - Ambrozijn - 2010

De volledige tekst van de recensie is tevens in pdf-versie na te lezen op de site van Peter WJ Brouwer zelf en wel hier.

 

 
 
 
     
     
 

Nieuwe bundel van Paul Rigolle

Blijven tot het sneeuwt

Door Bert Bevers

Hij is al enige tijd uit, maar eindelijk is er een nieuwe bundel van Paul Rigolle. Het was al van 1986 geleden dat de laatste, Overal en op alle plaatsen, het licht zag. Da's al zowat een kwart eeuw geleden....Ik lees de poëzie van deze West-Vlaamse dichter al jaren erg graag. Hij schrijft gedichten om op te kauwen, om na te proeven, met straffe regels als Dit leert ons de verdoving: de bovenbouw / van de macht is een stadion vol strafschopgebieden. En een zomer die paarsgelakte nagels draagt alsof hij een begenadigd dichter was. En Stuurs: vóór de open wonde van het raam / spreekt een oude winter hardop voor zichzelf. Rigolle prikkelt je fantasie, zet je aan het denken. Met Om te zijn wat men al of niet wil zijn, moet men / in de polsen van nu en nooit. Met Heffen wij een loflied aan. Zuigen wij in Zijn naam // op de gekleurde rietjes van de eeuwigheid. Met Zomer zal het zijn als op mijn papier de hagel slaat. Nu voegde hij 43 gedichten aan zijn oeuvre toe. En ook die staan boordevol beklijvende beelden en regels.

De titel van de nieuwe bundel is Van het hart een steen. Hart is een woord waaraan Paul Rigolle (˚ 1953, Roeselare) trouw is. Het dook reeds in al zijn boeken op: Het hart bewoond, bezet / door de hondstrouwe gestalte van een blues (uit De gestalte van een blues, in Mond- en clownzeer uit 1980), Als een vorm rondom een inhoud / leg ik een hart onder een arbeidershand (uit de Epiloog van De Hel van het Noorden uit 1982) en Nooit zo kreupel lijkt weer het hout als jij / op de snelwegen van mijn razend hart verschijnt (uit Bulscampveld, in Overal en op alle plaatsen uit 1986).
In zijn jongste bundel duikt het (inclusief bijvoorbeeld hazen- en een winterhart) niet minder dan 9 keer op. En dan opent de bundel ook nog met het motto 'Het hart is een holle spier in de borst van mensen en hogere dieren'. Dat komt niet uit een literair werk, maar uit Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, veertiende, herziene uitgave 2005, pagina 1328. Origineel.
Het wijst ook vooruit naar de regels die de auteur wijdt aan een minder aangename periode, waarin hij geconfronteerd werd met problemen met zijn eigen holle spier in de borst. In de cyclus Coronarografie refereert hij aan zijn pech: De chirurg spreekt zalvend. Het is zo geklaard. En: Hij spuit de antistoffen in. Het heeft een kleur, / alles heeft een kleur. Aders, vaten communiceren, / geven het ritme aan. En: Dat dwaze hart dat driest en dik na al die tijd nog altijd / alles wil [....]. Gelukkig voor zijn lezers is Paul Rigolle weer helemaal op oorlogssterkte, Alive and well.
Het hart is dus stevig verankerd in zijn werk. Rigolle is bepaalde woorden sowieso trouw. Neem, in deze bundel winter (inclusief verwanten als winterhart en hongerwinter) dat je 8 keer ziet verschijnen. Of foto (4), film (4), sneeuw (7) en licht (13). Spiegel, een woord dat je ook in al zijn eerdere bundels reeds tegenkwam, geeft in Van het hart een steen ook weer acte de présence. Betekent dit iets? Dat het sleuteltermen zijn, dat ze onvervreemdbaar onderdeel van zijn systeem uitmaken.
De bundel is onderverdeeld in zeven cycli van respectievelijk zes, zeven, negen, acht, drie, zeven en drie verzen. De eerste reeks, eerder gepubliceerd in het tijdschrift voor poëzie De Houten Gong, is Winterhart. De eerste regel is Lang was het stil, waarmee hij lijkt te refereren aan het gat van 23 jaar dat tussen de vorige en de onderhavige bundel ligt:

Gebaar

Lang was het stil. Stil als een taal die slaapt,
etmaal in een seizoen dat nooit zovel traagheid
kent als men het heeft gedroomd. Stil als tijd
die ongemerkt in een gezicht heeft uitgehaald.
Hoe men op een dag de toon, de toets,

het barre land terug moet vinden, is wat hem
voor ogen staat. Mager, roerloos, takken uitgesneden
in het ochtendlicht, heffen zijn armen zich
naar de hemel op;. Het lijkt op een gebed
voor wie hem niet verstaat. Dit is de ochtend

van het blind gebaar, hij breekt het licht weer aan.
Om alles wat wit zal zijn, om tijd die met hem
verstrijkt wil hij blijven tot het sneeuwt.

Meerdere gedichten uit deze bundel verschenen trouwens eerder in bloemlezingen en literaire tijdschriften. Ook werden er her en der reeds bekroond. Zo waren er goed voor de poëzieprijzen van Harelbeke, Merendree en Oostende.
Paul Rigolle is een dichter met een brede blik. Hij is geen navelstaarder, maar weet de wereld om zich heen. Wat hem daarin zoal raakt geeft hij een plaats in stevige gedichten. Want dat zijn ze, niet alleen inhoudelijk maar ook qua vorm: zijn poëzie staat letterlijk en figuurlijk als een huis. Het kortste gedicht telt nog altijd elf regels. Zijn verzen zijn over het geheel genomen breed. Zoals gebruikelijk heeft hij weer oog voor sport (Rigolle schreef ook wielerboeken: Op de helling en - met Patrick Cornillie - Vélo-dromen: het wielrennen in de Nederlandse literatuur). Stelde hij eerder scherp op onder meer roeiers, wielrenners en tennissers, deze keer komen schaatsers en zwemmers voor het voetlicht.
Zoals gezegd, geen navelstaarderij maar een weerspiegeling van het leven in alle faetten. "De poëzie van Rigolle karakteriseert zich door een complexe diagnose van het moderne bestaan, die veel dieper graaft dan alleen maar de blote expressie van vreugde en verdriet zonder noemer," noteerde Jef Boven al na lezing van De Hel van het Noorden. Die analyse blijft actueel.
Veel gevoel, dat zeker. Maar strak verwerkt in het grotere geheel. Of, zoals Philip Hoorne het in Knack verwoordde: "Paul Rigolle beteugelt zijn opwellende emoties even strak als zijn strofen. Korte zinnetjes en zinsdelen. Van komma naar komma tot punt bouwen de gedichten zich op in een immer krachtige taal." Een voorbeeld:

Lamp

Wat hem lief is heeft hem omringd. De dingen
vertellen meer dan hij dat kan. Alles op de tast.
Handgemaakt, een specht uit Praag die
klimt op eigen kracht. Renner van azuur,
Provencaals, de Mont-Ventoux. De danser

die met zijn voeten praat, de man die dacht
dat hij een schip kon zijn. Een kei, een kans,
het potlood dat om zijn geluid de voorkeur krijgt
op het goud van elke pen. Er gloeit een lamp.
Zijn vinger aait het hout, de verloren lomp

die in het papier verborgen zit. Zijn kleine handen
baden in een kring van licht. Hij schrijft de ochtend op
die hem, aanwezig in ieder ding, betrappen mag.

Ik vind dit mooie, geheimzinnige poëzie. Prikkelend, verrassend. De reeks Too late blues is deels geïnspireerd door de acteur-regisseur John Cassavetes en diens werk. Cassavetes (1929-1989) schitterde als jong acteur in de televisieserie Johnny Staccato (1959) en in de klassieker Rosemary's Baby (1968) en draaide zelf rolprenten als Shadows (1961) en A Woman Under The Influence (1970). Op de een of andere manier denk ik - dat zal door Johnny Staccato komen - bij de naam Cassavetes altijd in zwart-wit , en ook de poëzie van Paul Rigolle is voor mij zwart-wit. Niet inhoudelijk, maar qua sfeer. Ik zie er vaak kringelende rook bij, hoor er ijsblokjes bij in een borrel tinkelen, vermoed er broeierige muziek bij.
Een bijzonder mooi drieluik vind ik Insel Hombroich, geschreven naar aanleiding van een bezoek aan dat adembenemend mooie openluchtmuseum in Neuss, nabij Düsseldorf (een aanrader, maar dit terzijde hier). Het laatste paneel daarvan:

III

Strompel maar aan gestalte, laat het hangen klank.
Groet en registreer wat telkens weer
in een toponiem herwonnen wordt.
Toren, kluis en labyrint. Melkweg, firmament.
Het gebouw als slak, het gebouw als hart.
Lang en breed, de weg ligt open, de weg ligt vast.

Deinend als een snek op een zee van groen
laten wij de grenzen varen. Verloren paradijs.
Droomland dat niets aan kracht heeft ingeboet.
Roep en roep opnieuw. Kwadrateer. Een glimlach
barst in ons in lachen uit. In een oogwenk
staat alles stil en opgeschort zoals het hoort.

Deze man kan, voorwaar, goed waarnemen. Bemerk dat ook hier weer het hart opduikt. De auteur zelf zei, op De Contrabas, over zijn jongste boek: "Ik hou wel van het geheel en het opzet van deze bundel. De metafoor van het hart loopt als een kleine rode wichelroede doorheen Van het hart een steen. Ook het gegeven dat het leven veel van deze gedichten in de jaren van hun ontstaan is komen nadoen, en niet omgekeerd, maakt de bundel voor mij speciaal. Het hart zelf sputterde in de loop van de jaren dat de gedichten geschreven zijn, zelfs letterlijk tegen. Als wilde het volop deelnemen aan deze gedichten. In die zin zit in veel van de gedichten in Van het hart een steen een pak 'voorzienigheid'." Van het hart een steen is wat mij betreft een van de sterkste bundels die onlangs verschenen. Paul Rigolle schrijft een poëzie die aan je blijft haken, poëzie van een robuuste élégance.

Bert Bevers


Mond- en clownzeer, Yang Poëziereeks, Gent, 1980
De Hel van het Noorden, Vers, Sint-Niklaas, 1982
Overal en op alle plaatsen, Crop & Sla, Ettelgem, 1986
Van het hart een steen, Poëziecentrum, Gent, 2009

 

Bert Bevers - Het wenkende vuur - "Blijven tot het sneeuwt"
Ook gepubliceerd bij De geletterde mens
Blogbericht 

 
 
     
 
 
     
 

5-1-10

Gedichten: Paul Rigolle

Rigolle

 

Paul Rigolle (1953) is dichter en schrijver. Redactielid van Digther en medewerker van Veduta en Poëzierapport. Publiceerde eerder de dichtbundels Mond- en Clownzeer (1980), De Hel van het Noorden (1982) en Overal en op alle plaatsen (1986) en de wielerboeken Op de helling (1990) en Vélo-dromen: het wielrennen in de Nederlandse literatuur (i.s.m. Patrick Cornillie, 1991). Onlangs verscheen Van het hart een steen, bij het Poëziecentrum.

1. Wat is uw favoriete gedicht uit deze bundel?

Da’s een moeilijke! Als ik dan toch moet kiezen, ga ik, in deze periode van volle vaten glühwein en andere gelukzaligheiden, voor een ijsgedicht uit de cyclus Winterhart. Het wintergedicht tussen Damme en Brugge misschien. Omwille van het wat sloganeske “Nering krijg de tering”-gevoel en de herinnering aan een kou die helemaal vanuit het Noorden komt.

Krijger (Brugge-Damme en terug)  

Op de oevers zal men wuiven. Water waarover
men lopen kan en dat gestold de beide steden bindt.
Met duizenden komen ze aangewaaid. Levensgroot,
alsof ze zichzelf hebben aangebonden, groeien ze
boven hun schoenen uit. Een bril, de muts diep
over de ogen, oren ingepakt, Winterhart. Niemand
kan hem zien. Wulken, oliebollen, warme wijn.
Nering, krijg de tering. Hou de klapschaats
aan de praat. Zachtjes buigend, een hand op de rug,
heeft hij zich gemengd. Krappe krijger. In het feest
van oude klare slijpt hij krijtwit zichzelf terug,
komt tenslotte voor het donker aan, versluisd,
verdoofd, als een brief in een bus.

(2) Vertel wat u over deze bundel kwijt wilt, in maximaal 200 woorden die niet op de flaptekst mogen voorkomen.

Ik hou wel van het geheel en het opzet van deze bundel. De metafoor van het hart loopt als een kleine rode wichelroede doorheen Van het hart een steen. Ook het gegeven dat het leven veel van deze gedichten in de jaren van hun ontstaan is komen nadoen, en niet omgekeerd, maakt de bundel voor mij speciaal. Het hart zelf sputterde in de loop van de jaren dat de gedichten geschreven zijn, zelfs letterlijk tegen. Als wilde het volop deelnemen aan deze gedichten. In die zin zit in veel van de gedichten in Van het hart een steen een pak “voorzienigheid”.

In de hele eerste versie van Manhattan stonden de Twintowers nog recht terwijl iemand nu in het gedicht naar Manhattan wil als naar het einde van de wereld. In de cyclus Coronarografie was er met het hart nog helemaal niks aan de hand… De taal doet vreemde dingen met een man. Maar uiteraard illustreert zo’n bundel nog het meest hoe je zelf het liefst wil schrijven. Niet bang om onmodieus te klinken. Niet bang om voluit het hoofd (en het hart te bieden) aan wat ik graag noem “De angst voor de ernst”. Want uiteindelijk:

Zwijgen stelt niets voor, spreken is een plicht

die zoveel groter is. De stem blijft een spier om
op te warmen, waarop nog gewacht, wentel weg de steen,
Breng hem naar de stad, besta en zing en ga.

Uit 'Paars'

(3) Welke dichters (of dichter) behoorde(n) bij het schrijven van deze bundel tot uw inspiratiebronnen? Op welke wijze?

Dichters als specifieke inspiratiebronnen? Niet echt. Maar ze kijken natuurlijk wel allemaal mee, de dichters die je in de loop van de jaren meer dan andere blijft lezen en herlezen. Het hele lijstje… Van Pernath, over De Haes tot bij Van Tongele. Via Claus, Hertmans en Ter Balkt tot bij D’haen. Van Wallace Stevens over Pessoa, Brodsky, Eliot tot bij Heaney. De bundel bevat ook een cyclus “Too late Blues” (Al te late brieven aan John Cassavetes). De titel verwijst naar een oude, vergeelde film van Cassavetes en er staan een pak verwijzingen in naar dichters en dingen.

Maar invloeden laten zich uiteraard veelal onbewuster gelden dan je dat vermoedt. Waar ze beginnen valt achteraf meestal niet meer uit te maken. Wat je zelf maakt is meestal een blauwdruk van alles wat je hebt gelezen, gezien, overwogen, uitgekraamd… Waar je op hebt gegokt, waar je van houdt… In de poëzie mag van mij alles. De helderheid van kristal. Podiumgeraas. Rubbish, onzin, platvloersheid… Bergwater … Maar zelf hou ik, zoals al gezegd, nog altijd meer van gedichten die de ernst niet schuwen. En in hun beste momenten een nieuwe draai aan de taal weten te geven.

Het mag wat mij betreft best wat duisterder.. Poëzie is gewoon een kast vol muziekjes die er staat voor de rest van het leven. Van Rilke tot Ramstein. Van Leopold M. Van den Brande tot Springsteen. Van Pergolesi tot Pfeijffer … Mijn enige eigen ambitie is het om daar uiteindelijk af en toe ‘ns en haast ongemerkt een niet onaardige Rigolle tussen te schuiven.

Bron: Drie vragen van De Contrabas

 

 
     
 
 
     
 

dinsdag 27 oktober 2009 om 08u00

Het hart dat nimmer wijkt

Bij Poëziecentrum verscheen zopas 'Van het hart een steen', een langverwachte nieuwe dichtbundel van Paul Rigolle.

Het hart dat nimmer wijkt

Bij Poëziecentrum verscheen zopas 'Van het hart een steen', een langverwachte nieuwe dichtbundel van Paul Rigolle.

'Van het hart een steen' heeft lang op zich laten wachten, te lang. Het typoscript van een aantal in deze bundel opgenomen gedichten werd al in 1999 bekroond met de poëzieprijs van Merendree. Had het te maken met onzekerheid of met het feit dat een dichter in Vlaanderen de poëzie-uitgevers niet voor het uitkiezen heeft, en dat het noorden iets te ver en te lastig leek voor een bescheiden West-Vlaamse poëet? Mocht het al onzekerheid zijn, dan was daar weinig reden voor. Paul Rigolle won in een recent verleden de poëzieprijzen van de steden Oostende, Izegem, Sint-Niklaas en Harelbeke.

'Lang was het stil. Stil als een taal die slaapt'. In de eerste regel van het eerste gedicht reflecteert de dichter zelf naar het einde van zijn poëziewinter. Dan vangt de cyclische beweging aan die ons uiteindelijk naar een nieuw voorjaar zal voeren. Omzichtig, met zachte hand bevrijdt deze dichter zijn gedichten uit de taal. De vorm van de gedichten is rechthoekig. Bij Rigolle geen regels die brallerig uithalen naar de rechter bladrand, hier zijn alle verzen gelijk. De strofebouw is doordacht en esthetisch. Zo tellen alle gedichten van de titelcyclus één strofe van vijf en twee van drie versregels; de cyclus 'Too late blues' bevat dan weer uitsluitend gedichten met twee negenregelige strofen.

In tegenstelling tot wat de titel van de bundel insinueert, is hier geen hardvochtig man aan het woord. Eerder hartvochtig, bluesy. De menselijke harde (!) schijf is niet het hoofd, wel het hart. Het hart is de steen waarin gebeiteld wordt. Daar is het dat herinneringen - een sleutelbegrip in Rigolles werk - worden opgeslagen. Een hart laat zich evenwel niet aan- en uitzetten als een computer: 'Herinneringen zijn niet van ons maar van een chemie / die ons maar op te schrijven heeft. Tijd maakt zich / in jaren op maar wat eerder uit het gezicht verdween, / raakt nooit volledig opgelost. Een geur, een blad, / en beeld het kan voldoende zijn om los te slaan / wat in ons als in steen gebeiteld zat. [...]'

Dat de schakelaar van het hart altijd op 'Aan' staat, is niet zelden pijnlijk. Fraaie herinneringen in overvloed, maar de nare beschikken meestal over iets meer hartspieren: 'Herinneringen zingen en zagen, zijn in staat / om een man te maaien als een zeis.' Het hart herinnert aan een overleden broer, aan een ingreep op zichzelf - 'Dat dwaze hart dat driest en dik na al die tijd nog altijd / alles wil, eerder al nochtans zo vaak door een oog / dat groter was, bedrogen werd. Hart dat niet van wijken / weten wil, jong geleerd en oud gedaan nog steeds / kan blijven doen alsof alles voor het grijpen ligt.' - en toch zijn termen als weemoedig, klaaglijk en somber niet van toepassing op deze poëzie. Dat komt omdat Paul Rigolle zijn opwellende emoties even strak beteugelt als zijn strofen. Korte zinnetjes en zinsdelen. Van komma naar komma tot punt bouwen de gedichten zich op in een immer krachtige taal.

De beelden zijn treffend, zoals aan het slot van het gedicht 'Reiziger'. Een man, gevangen in zijn huis, stippelt een reis uit. Dan passeert er iemand voor het raam die naar binnen kijkt: 'Vluchtig, een schets / voor wie hem vatten kan: reiziger die voor / een raam de krachten raamt, wachtend / op de reis die hem maar voor het kiezen heeft.' Een ander met succes gehanteerd stijlmiddel is het stafrijm. Af en toe schakelt Rigolle er enkele aan elkaar, wat resulteert in een lichte stemverheffing, die deze sierlijk meanderende poëzie bij tijd en wijle prima staat: 'Wat we van het leven maken? Confectie en konfetti, // humus en humeur. De rochel in de keel, de bochel / in het brein.' Maar bovenal: de herinnering in het hart.

Paul Rigolle, Van het hart een steen, Poëziecentrum, Gent, 64 blz., 17,50 euro, ISBN 978 90 5655 314 2

Philip Hoorne

 
 
     
 
 
     
     
 

Een nieuwe bundel van P. Rigolle



Paul Rigolle: “Van het hart een steen”.


Zopas ontving ik de nieuwe dichtbundel van Paul Rigolle “Van het hart een steen” (Poëziecentrum vzw, Gent, 2009). Een hele dag door las ik in een toenemende staat van verrukking het ene prachtige gedicht na het andere. Een literair criticus, die naam waardig, probeert bij zichzelf zijn verrukking, zijn afschuw of zijn onberoerdheid bij het lezen te begrijpen en te verklaren. Dan is hij een exemplarische lezer, die naar aanleiding van een concreet literair werk, toevallig in het publiek het woord neemt en zijn reacties beschrijft, analyseert en uitvoerig verantwoordt.

Hieronder druk ik één van de vele aangrijpende gedichten van Rigolle af. Later zal ik aan zijn bundel - in een wat langer stuk - de aandacht besteden die hij ten volle verdient. In de bundel bewonder ik vooral de harde, mannelijke, stoïsche toon, die een onbedwingbare, alles doordringende tederheid en een hernieuwde openheid voor de wereld niet in de weg staat. Het is een volwassen bundel, waarin Rigolle, nadat hij veel heeft geleden en van nabij kennis heeft gemaakt met de verbijstering van het bestaan, opnieuw rechtkrabbelt en een bijgestelde, meer genuanceerde blik op de wereld presenteert, waarin schoonheid, verbondenheid, onverbiddelijk realisme, tederheid, harde dapperheid, de verlokking van de openheid en de occasionele afsluiting, de omgang met het nabije en het verre, het poëtische en het picturale, het celebrale en het emotieve in een creatief mengsel samengaan. Het is het leven zelf, het verhaal van het kleine ik dat zich probeert overeind te houden en daarvoor een geschikte weg heeft gevonden. Al jaren bewonder ik ook de stijl van de dichter: de zwierige breedte van de volzin, de complexe retoriek, de rijkdom aan vreemdsoortige beelden en klankeffecten, de fijnzinnige ritmiek en de uitgekiende opbouw (zowel van de bundel als van het afzonderlijke gedicht), die alle als een geraamte het vlees van Rigolle's thema’s stutten en schragen. Op dit alles kom ik later terug. In citeer het slotgedicht.

Zanger

Passend op de plaatsen waar hij woont heeft hij
gevonden wat hij niet meer zocht. Als een zanger
schildert hij, prent zich namen in als rabarber
en bataaf. Met kraprood en evergreen, wennend,
langgerekt, een roes, een geeuw van taal, viert hij

de honger op zijn palet. De wereld welt weer op,
hij stelt zich niet teweer. Werkelijkheid van wind,
spreeuwen in de kersentuin, de bijen slapen
op hun rug. Lang was het stil maar de bomen
hielden nooit op met waaien. Niets is om

te verhelderen, of iets is helder of het is het niet.
Elke ochtend zal de eerste zijn van wat later komt.
Niets houdt op. Hij is niets kwijt, het rust in hem.

 

17/11/2010 - Jef Boven Weerwerk
 
     
 
 
     
     
     
 
 
     
 

Van het hart een steen

 
 

 Arcadim in Arcadië
Homepage