dinsdag, februari 02, 2010

Ster




De slaap voorbij, meet hij de schade op.
De dooi die later kwam vergat in hem de sneeuw.
Lichtmis sloeg een wak, water straalde
in de ster. Van rijm en rijp rest niets meer
dan een idee, jicht die op de heupen werkt.

Kleine koning van de vorst, hij schrijft
hem op, een beeld dat nog van toen bestaat.
Met de bomen dwalend door de bossen
van zijn slaap gaat hij aan zichzelf voorbij,
trekt zijn streng, een streep. Uitgeklaard,

verzeild in het hart van de taal noteert hij
het kraken van elke stap, neemt de taaiheid waar.
Als van gras dat tussen stenen op gaat staan.



Uit "Lichtmis" - Van het hart een Steen, Poëziecentrum 2009

Labels:

donderdag, januari 28, 2010

Doncols

(Vakantiehuis, 1982)


Hoe heilig ineens het Nu kan zijn! Hoelang
geleden bestonden wij het nog om dit bestaan
te zien als wat het is: Nu en naakt. Avond
en alleen. Bomen benemen het uitzicht
in het raam. Maar bomen hoeven wat mij betreft
nooit meer weg te gaan. Want zover kan ik komen.
Ik hoef geen vergezicht. Geen mooie dromen.
De koorts (‘alles zien!’) is afgegaan: ik zie.

Even niet meer, even moet ik geen gewentel meer,
geen gewiek van woorden die alleen maar willen
zeggen hoe traag de tijd moet zijn om hem
te laten vloeien, hoe vreemd het voelt om vrede
te vinden met het vertrek van alle dingen.
Denkend: dertig straks, de eeuw die eindigt.
Maar eeuwigheid kan ik hier nog even missen.
Alleen maar wachten wil ik nu, wachten op hen

die op weg hierheen niets vermoedend weten
dat ook mijn wachten een vorm van wandelen is:
Een krimp in de avond. Een even aarzelen in de tijd.




Paul Rigolle

(Uit Dagboek- en andere gedichten)

Vandaag, Overal en op alle plaatsen, het gedicht. (Alsof ook alle poëzie van vandaag mag dateren)


Labels: , ,

donderdag, januari 29, 2009

Balpen



Niks bijzonders heb ik jou van de straat geraapt.
Niets etsends. Eerder iets Brabants kleeft aan jou.
Arbeider in jouw soort ga jij d’er met vuile voeten door.
Dat jij daarbij wat reclame voert voor een frituur,
het heeft mij nooit gestoord. Een enig stuk gelijk
schrijf jij. Rechttoe, rechtaan. Wat bij jou
van binnen zit is wonderlijk. Ik draai,

jij opent je. Het klikt, het spant, de veer springt op.
Blauwer slaapt het woord in de dunste slang.
Eenmaal weer dichtgeschroefd, schroef ik jou op.
Op punt. Als vanzelf: jij schrijft, ik volg. Op bierviltjes,
roos behang, op duur of dun papier, voor of tegen,
de muren op, de muren af, ik schrijf maar dat jij schrijft
en dat alles wat van toen weer tot leven komt

In mijn hand over lijken van letters gaat.


© Paul Rigolle


Uit ‘Het herschrijven van de dingen en de dagen’

Rubriek: Gedichten

Annotatie: Wie zichzelf herleest, leest een grafschrift. Soms duikel je, jawel n.a.v. één of andere gedichtendag natuurlijk, zo'n oud gedicht op en blijkt, amper twee decennia later, het onderwerp nauwelijks nog een reden van bestaan te hebben.

Balpen werd eerder gepubliceerd in de bundel ‘Overal en op alle plaatsen’, Crop & Sla, 1986 en op een aantal andere plaatsen waarvan ik mij - het is niet anders - de juiste locatie niet meer kan herinneren.




Labels: ,

vrijdag, augustus 01, 2008

Honing



Steden houden op waar het open veld begint.
Uitzicht hebben en plaats te vinden, huis
te houden is wat hem beweegt als wind.
Wat van ooit en toen dateert hangt zich aan muren op.
Foto’s, prenten, portretten in de galerij,

Stilte na de storm, vastgepinde tijd, alle nagels
trekken krom. Meer een man van stenen
dan van sterren vindt hij de stem, het woord terug

dat in hem verloren leek. De imker die de hamers
doorheen zijn ramen joeg, schuift gulzig aan.
Eet in hem de honing uit zijn droom.






© Paul Rigolle

Uit de cyclus “Van het hart een steen”.
Rubriek: de gedichten
(“Meer een man van stenen dan van sterren”)


Labels: ,

maandag, mei 12, 2008

Trilt

















Ill. Bernard Sercu, Point vierge (landschap C), olieverf op doek, 100 x 180 cm, 2007


Trilt


Bij het plastisch werk van Bernard Sercu


Alles schrappend wat niet nodig is
komt het bij elkaar. Wat het van ons vergt,
wat het eist, hoe diep het gaat is wat ons heeft
aangeraakt en aangetast. Het rooft zich uit.

Het wast zich wit. Het vlakt en vlagt.
Uitgepuurd en uitgeput, vol van karigheid.
Kervend tot het trilt zoekt het grenzen op.
Tot het blank staat in de winter van de woorden.

Tot het zich, ver voorbij de taal, in ons ophoudt,
met inzet van alle zinnen.




©Paul Rigolle




Van Bernard Sercu loopt straks ‘Point Vierge’, een tentoonstelling. Van 25 mei tot 15 juni 2008 in De Queeste Kunstkamers. Vernissage op 25 mei 2008 van 15u tot 18u.
Meer info via de Queeste-links.


Labels: , ,

donderdag, januari 31, 2008

Wens




Februari was koud dat jaar, een bitter kruid.
De nacht werd een dag, de maan een zon.
Waarom ik jou wou schrijven, de wens dook op
en dat volstond. Ik wou dat het sterk was,
dat er bloed kon stromen. En vrijheid, er moest
vrijheid in! In elke kroeg, in elke straat
of staat, ik moest, ik zou je schrijven, een bericht,
een tover, een complete taal. Negen keer negen brieven
zou ik schrijven, potsierlijk postuum, absurd,

gericht aan een man die ik alleen maar kende
van gezicht in al die trage films. Voor allen die waren
en zouden zijn, mijn kamers voor een paard. Alles liet ik toe,
de wildzang, de rimram ging met mij aan de haal,
aan de taal. Weerloos en van waarde wou ik dat het was,
zwak en teer, een plant, een mening in een man.
Open en dicht, sintels en graven, met de logge pen
en zonder wou ik dat het kwam en ging. Verstild,
vertaald. Verstaald wou ik dat het alles was. En niets.




© Paul Rigolle, 2007-2008



Uit “Winterhart”, een typoscript. Cyclus: “Too late blues” – Al te late brieven aan John Cassavetes (1929-1989) en anderen.
Rubriek: De gedichten


In de reeks: Vandaag, overal en op alle zenders: Gedichtendag 2008

Labels: ,

donderdag, oktober 04, 2007

Begin




Dat dwaze hart dat driest en dik na al die tijd nog altijd
alles wil, eerder al nochtans zo vaak door een oog
dat groter was, bedrogen werd. Hart dat niet van wijken
weten wil, jong geleerd en oud gedaan nog steeds
kan blijven doen alsof alles voor het grijpen ligt.

Het water én de wijn, de hartstocht én de gewoonte,
alles wat onmisbaar lijkt, alles wat voedsel geeft
aan de wankelmotor van het evenwicht.

De tijd tast toe. Sporen, littekens, het kunstlicht knevelt.
Tevreden zijn met wat je hebt en wie je bent, als je alles
nog ‘ns overdeed kon het aardig tellen als begin.



© Paul Rigolle, 2007



Uit “Winterhart”, een typoscript
Rubriek: De gedichten

Labels: ,

donderdag, augustus 30, 2007

Zeis




Zoveel niet gehad, niet gezien. Zoveel niet gehoord.
Om wat het ging zat vaker in de kleinste dingen eerst.
Een hand die werd aangereikt. Een nachtrust,
onderbroken voor een woord dat niet wou
verloren gaan. Het schrijven van een laatste wil.

De tekening van de duif om in de lijnen ook
haar vlucht te zien. Vertel, bekijk het maar. Heffen we
met open borst op zoveel wetenschap een loflied aan.

Neem het blauw maar mee in de richting van de zee.
Herinneringen zingen en zagen, zijn in staat
om een man te maaien als een zeis.



© Paul Rigolle, 2007



Uit “Winterhart”, een typoscript
Rubriek: De gedichten

Labels: ,

woensdag, augustus 08, 2007

Iris



Nooit zo gebonden, nooit zo vrij. Het doel dat je
tussen je ogen draagt. Het punt dat je ziet,
de werking van het oog , iris, netvlies, enzovoort.
Geen bewijsvoering of ze loopt wel ergens mank.
Wat we van het leven maken? Confectie en konfetti,

humus en humeur. De rochel in de keel, de bochel
in het brein. Aftelrijmpjes in de stratosfeer, avondklok
en junkies. Alles waaraan je wat verhelpen kunt,

alles waaraan je niets kunt doen. Dieren in ademnood,
vogels vallen uit de laatste boom. Duimen maar
dat niet alles wat je schrijft ook waar moet zijn.



© Paul Rigolle, 2007

Uit “Winterhart”, een typoscript
Rubriek: De gedichten

Labels: ,

zondag, december 31, 2006

Insel Hombroich























Insel Hombroich (1)




Eiland van klaarte! Eiland van het Midden
van de dag. Knipperend naar het licht
daal je als een kromme ziener de trappen af.
Je duikt het weiland in waar perken
niet bestaan en tuin geen reden vindt
om ooit nog aangelegd te zijn. Wat wild is

en verwilderd, is hier de kunst, de norm.
Ademloos zet zich als mos in ons de kijker vast.
Insel Hombroich, museum zonder slot of gracht,
kazerne zonder kruit. In de late zomers
van ons hoofd deint, en breidt een zee van licht
zich uit. Raapt ons op als een gevallen steek.




© Paul Rigolle - 2006-2007


gedicht uit de ongepubliceerde 'Insel Hombroich'-cyclus.

Rubriek: De gedichten en ander moois

Noot: Insel Hombroich is zoals de regelmatige bezoeker van dit Arcadisch wingewest misschien nog wel weet, een museum in Neuss-Holzheim, vlak in de buurt van Düsseldorf. Het zal op geen enkele Te-Bezoeken.2007 en later-lijst ontbreken!



Labels:

donderdag, november 09, 2006

Balpen

Niks bijzonders heb ik jou van de straat geraapt.
Niets etsends. Eerder iets Brabants kleeft aan jou.
Arbeider in jouw soort ga jij d’er met vuile voeten door.
Dat jij daarbij wat reclame voert voor een frituur,
het heeft mij nooit gestoord. Een enig stuk gelijk
schrijf jij. Rechttoe, rechtaan. Wat bij jou
van binnen zit is wonderlijk. Ik draai,

jij opent je. Het klikt, het spant, de veer springt op.
Blauwer slaapt het woord in de dunste slang.
Eenmaal weer dichtgeschroefd, schroef ik jou op.
Op punt. Als vanzelf: jij schrijft, ik volg. Op bierviltjes,
roos behang, op duur of dun papier, voor of tegen,
de muren op, de muren af, ik schrijf maar dat jij schrijft
en dat alles wat van toen weer tot leven komt

In mijn hand over lijken van letters gaat.


© Paul Rigolle


Uit ‘Het herschrijven van de dingen’
( ‘Overal en op alle plaatsen’, Crop & Sla, 1986)

Rubriek: Gedichten
Annotatie: Wie zichzelf herleest, leest een grafschrift. Soms duikel je een oud gedicht op en blijkt, amper twee decennia later, het onderwerp nauwelijks nog een reden van bestaan te hebben.

Labels: